Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2177

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
21-06-2016
Zaaknummer
14-5921 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opschorten en intrekken. Niet verstrekken van gegevens binnen hersteltermijn. Niet aannemelijk dat appellant binnen de hersteltermijn niet kon beschikken over de gevraagde gegevens. Verzuim is appellante te verwijten. Intrekken en terugvorderen verzwegen kasstortingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/5921 WWB

Datum uitspraak: 7 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

15 september 2014, 14/641 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van Werk en Inkomen Lekstroom (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Mathoerapersad, advocaat, hoger beroep ingesteld en een verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2016.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Mathoerapersad. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door P.A. van de Ven.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft in de gemeente Nieuwegein bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ontvangen gedurende de perioden van 1 mei 2010 tot en met 30 april 2011, van

25 juli 2012 tot en met 7 april 2013 en vanaf 25 april 2013, naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Naar aanleiding van een melding op 7 augustus 2013 dat appellant naar Engeland was geweest om zijn taxi-pas te verlengen, heeft het dagelijks bestuur aan het Internationaal Bureau Fraude van het Uwv (IBF) verzocht onderzoek te doen naar een mogelijke registratie en een mogelijk adres van appellant in Engeland en naar eventuele werkzaamheden van appellant met gebruikmaking van een taxi-pas en eventuele bankrekeningen en vermogensbestanddelen. Uit de onderzoeksbevindingen van het IBF, aan het dagelijks bestuur meegedeeld per e-mailbericht van 13 augustus 2013, kwam naar voren dat appellant in Engeland was geregistreerd, daar een adres had en daar een werkloosheidsuitkering had ontvangen over de periode van 15 april 2011 tot 27 september in 2011.

1.3.

Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen van het IBF heeft het dagelijks bestuur onderzoek verricht naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader hebben rapporteurs van Werk en Inkomen Lekstroom onder meer het Suwinet bedrijvenregister geraadpleegd en gegevens van de Dienst Wegverkeer (RDW) ingezien en de door appellant overgelegde afschriften van zijn ABN AMRO-rekening onderzocht. Vervolgens is appellant bij brief van 22 augustus 2013 verzocht om uiterlijk op 5 september 2013 een aantal, in de brief vermelde, nadere gegevens te verstrekken. Appellant heeft aan dit verzoek gedeeltelijk voldaan en bij brief van 5 september 2013 voorts onder meer laten weten dat zijn bank in Engeland, de Lloyds London bank, hem geen bankafschriften wilde verstrekken omdat hij zijn bankpas niet meer had. Naar aanleiding daarvan heeft op

24 september 2013 een gesprek plaatsgevonden, waarbij appellant de rapporteurs enige inlichtingen heeft verstrekt over zijn financiële situatie. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in rapporten van 11 oktober 2013 en van 15 oktober 2013.

1.4.

Bij besluit van 26 september 2013 heeft het dagelijks bestuur het recht op bijstand van appellant opgeschort met ingang van 5 september 2013, op de grond dat hij niet alle gevraagde gegevens had verstrekt, met name niet de gevraagde bankafschriften van zijn Engelse bankrekening, en onvoldoende informatie en gegevens met betrekking tot de stortingen op zijn rekening bij de ABN AMRO-bank. Bij dat besluit heeft het college appellant tot en met 4 oktober 2013 in de gelegenheid gesteld om zijn verzuim te herstellen. Van deze mogelijkheid heeft hij geen gebruik gemaakt.

1.5.

Bij besluit van 11 oktober 2013 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellant ingetrokken met ingang van 5 september 2013 met toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB en tevens de bijstand over de perioden van 1 mei 2010 tot en met 30 april 2011, van

25 juli 2012 tot en met 7 april 2013 en van 25 april 2013 tot 5 september 2013 ingetrokken op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB. Aan dit besluit heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellant het verzuim om de ontbrekende gegevens en inlichtingen te verstrekken niet heeft hersteld binnen de daartoe gestelde termijn en dat daardoor het recht op bijstand vanaf 1 mei 2010 niet is vast te stellen.

1.6.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 26 september 2013 en

11 oktober 2013. Hierbij heeft hij diverse stukken overgelegd. Het dagelijks bestuur heeft de bezwaren tegen beide besluiten bij besluit van 24 december 2013, zoals aangepast bij besluit van 13 maart 2014 (bestreden besluit), ongegrond verklaard en beide besluiten gehandhaafd. Bij de heroverweging van het besluit van 26 september 2013 heeft het dagelijks bestuur onder meer de in bezwaar alsnog overgelegde stukken met betrekking tot de Engelse bankrekening van appellant niet betrokken, doch wel rekening gehouden met een door appellant in bezwaar overgelegd stuk waaruit volgt dat hij, anders dan het dagelijks bestuur had aangenomen, geen houder is van een rekening bij de ING-bank. Aan de heroverweging van het besluit van

11 oktober 2013 ligt ten grondslag dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door onder meer geen melding te maken van een verblijf in Engeland in de periode van 1 mei 2010 tot en met 30 april 2011, en evenmin van de bijschrijvingen op zijn ABN AMRO-rekening van € 980,- door [naam bedrijf 1] op 13 december 2010, van stortingen op die rekening door [naam bedrijf 2] van stortingen door [naam A] en van de ontvangst van € 500,- op die rekening op 1 maart 2011. Tevens heeft appellant onder meer onvoldoende toegelicht wat de herkomst van diverse stortingen op die bankrekening was en hoe de drie op zijn naam gestelde auto’s waren gefinancierd. Hierdoor was volgens het dagelijks bestuur de bijstandbehoevendheid van appellant niet vaststellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Intrekking met ingang van 5 september 2013

4.1.

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de WWB kan het college (in dit geval het dagelijks bestuur), indien de belanghebbende de voor de verlening van bijstand van belang zijnde gegevens of de gevorderde bewijsstukken niet, niet tijdig of onvolledig heeft verstrekt en hem dit te verwijten valt, dan wel indien de belanghebbende anderszins onvoldoende medewerking verleent, het recht op bijstand voor de duur van ten hoogste acht weken opschorten. Artikel 54, tweede lid, van de WWB bepaalt dat het college aan de belanghebbende mededeling doet van de opschorting en hem uitnodigt binnen een door hen te stellen termijn (hersteltermijn) het verzuim te herstellen. Artikel 54, vierde lid, van de WWB bepaalt dat als de belanghebbende in het geval bedoeld in het eerste lid het verzuim niet herstelt binnen de daarvoor gestelde termijn, het college na het verstrijken van die termijn het besluit tot toekenning van bijstand kan intrekken met ingang van de eerste dag waarover het recht op bijstand is opgeschort.

4.2.

Bij de beantwoording van de vraag of het bijstandverlenend orgaan op grond van artikel 54, vierde lid, van de WWB bevoegd is tot intrekking van de aan een betrokkene verleende bijstand, staat ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens of gevorderde bewijsstukken te verstrekken. Vervolgens dient te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt. De verwijtbaarheid kan ontbreken indien het gaat om gegevens of gevorderde bewijsstukken die niet van belang zijn voor de verlening van bijstand of om gegevens waarover de betrokkene niet binnen de gestelde hersteltermijn redelijkerwijs heeft kunnen beschikken.

4.3.

Vaststaat dat appellant niet binnen de geboden hersteltermijn alle bij het opschortingsbesluit gevraagde gegevens heeft verstrekt.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur alle gegevens al in zijn bezit had omdat hij altijd alle gevraagde stukken heeft ingeleverd, namelijk bij inkomensconsulent [naam inkomensconsulent] , die inmiddels niet meer voor het dagelijks bestuur werkzaam is. Deze grond slaagt niet. Het dagelijks bestuur heeft gemotiveerd betwist dat enig bij brief van 22 augustus 2013 en nadien bij appellant opgevraagd gegeven al eerder door appellant was verstrekt. De betreffende stukken zijn niet in het dossier van appellant aangetroffen, noch is enige notitie bekend waaruit de verstrekking van die stukken blijkt. Daartegenover heeft appellant zijn stelling dat hij stukken aan de inkomensconsulent heeft overhandigd niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd, zodat hij die stelling niet aannemelijk heeft gemaakt.

4.5.

Appellant heeft voorts aangevoerd, zo begrijpt de Raad, dat hem niet is te verwijten dat hij de bankafschriften van zijn Engelse bankrekening niet voor het einde van de hersteltermijn heeft overgelegd. Hij heeft betoogd dat hij redelijkerwijs niet heeft hoeven begrijpen dat de bankafschriften van betekenis waren voor zijn recht op bijstand, gelet op het saldo. Dit betoog treft geen doel. Kennisname van bankafschriften is voor het dagelijks bestuur onmiskenbaar van belang voor de vaststelling van het recht op bijstand, ongeacht het saldo. Het dagelijks bestuur dient daarover te beschikken, juist om de bewering over het saldo te kunnen controleren. Verder heeft appellant gesteld dat hij die afschriften, vanwege het verlies van zijn bankpas, persoonlijk in Engeland moest ophalen en dat hij daartoe niet in de gelegenheid was. Deze stelling is niet aannemelijk geworden. Uit het feit dat appellant na afloop van de hersteltermijn de bankafschriften heeft ingeleverd volgt dat het hem wel mogelijk was die over te leggen. Appellant heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat hij daarover niet binnen de daartoe gestelde hersteltermijn heeft kunnen beschikken. Hij heeft niet aantoonbaar om uitstel verzocht voor het inleveren van de bankafschriften. Hij stelt dat hij dit heeft gedaan in zijn brief van 5 september 2015. In die brief is echter vermeld: “Ik heb met de bank gebeld, maar zij willen mij zonder mijn pas niet de rekeningafschriften toesturen” en “Hopelijk kunt u zelf achter de bankgegevens komen of accepteert u mijn uitleg waarom de gevraagde stukken niet bij het dossier zitten”. Het dagelijks bestuur heeft hierin redelijkerwijs geen verzoek om uitstel hoeven te lezen. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het verzuim appellant was te verwijten.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 54, vierde lid, van de WWB is voldaan. Het dagelijks bestuur was dus bevoegd de bijstand van appellant met ingang van 5 september 2013 in te trekken.

4.6.1.

Aan deze bevoegdheid doet, anders dan appellant meent, niet af dat hij, zoals hij stelt, na afloop van de hersteltermijn de gevraagde gegevens alsnog heeft verstrekt en dat daaruit is gebleken dat het saldo op zijn Engelse bankrekening laag of nihil was. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 16 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ7575) komt in beginsel geen betekenis toe aan gegevens of stukken die na het verstrijken van de gestelde termijnen tijdens de bezwaarfase alsnog zijn verstrekt. Van dat uitgangspunt kan worden afgeweken, indien appellant aannemelijk maakt dat het gaat om gegevens of stukken die hij redelijkerwijs niet binnen de gestelde hersteltermijn heeft kunnen verstrekken. Zoals hiervoor is besproken heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat die situatie zich hier voordeed. De omstandigheid dat het dagelijks bestuur de gegevens over de ING-rekening die door appellant na afloop van de hersteltermijn zijn overgelegd wel bij de heroverweging heeft betrokken leidt niet tot een ander oordeel. Uit die gegevens bleek immers, anders dan uit de gegevens met betrekking tot de Engelse bankrekening, dat appellant redelijkerwijs niet over rekeningafschriften kon beschikken.

4.7.

In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat het dagelijks bestuur niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft kunnen maken.

Intrekking over drie tijdvakken in de periode van 1 mei 2010 tot 5 september 2013

4.8.

Ter beoordeling staat de intrekking van bijstand van appellant met toepassing van artikel 54, derde lid, van de WWB over de perioden van 1 mei 2010 tot en met 30 april 2011, van

25 juli 2012 tot en met 7 april 2013 en van 25 april 2013 tot 5 september 2013 (te beoordelen perioden).

4.9.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het bijstandverlenend orgaan op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Indien de belanghebbende de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting niet in voldoende mate nakomt en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB is het bijstandverlenend orgaan op grond van artikel 54, derde lid, van de WWB, zoals van toepassing ten tijde hier van belang, gehouden de bijstand in te trekken.

4.10.

De onderzoeksbevindingen bieden voldoende grond voor het standpunt van het dagelijks bestuur dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.

4.10.1.

Uit het rechtmatigheidsonderzoek is naar voren gekomen dat op de ABN AMRO-rekening van appellant in de periode van 1 mei 2010 tot 30 april 2011 regelmatig diverse bedragen, variërend van € 50,- tot € 500,- , zijn bijgeschreven als contante storting of als overmaking door derden. In de periode van 15 april 2011 tot 27 september 2011, waarin appellant in Engeland een uitkering ontving, zijn op de afschriften geen afschrijvingen of betalingen van of naar Engeland zichtbaar en wel een storting van € 400,-. In de periode van 25 juli 2012 tot 5 september 2013 zijn blijkens de afschriften regelmatig diverse bedragen, variërend van € 40,- tot € 350,-, bijgeschreven als contante storting of als overmaking door derden. De bankafschriften tonen verder in eerst vermelde periode een afschrijving naar een rekening van de Kamer van Koophandel (KvK) en in alle te beoordelen perioden vele pinbetalingen in andere plaatsen dan [woonplaats] , waar appellant de bijstand ontving, en weinig pinbetalingen in [woonplaats] . Uit de door het dagelijks bestuur geraadpleegde gegevens van Suwinet volgt dat appellant bij de KvK was ingeschreven met het bedrijf [naam bedrijf 3] , met als vestigingsdatum [datum] 2010, en met het bedrijf [naam bedrijf 4] , met als vestigingsdatum [datum] 2011.

4.10.2.

Niet in geschil is dat appellant onder meer de ontvangst van de op zijn ABN AMRO-rekening ter zake van kasstorting of overmaking bijgeschreven bedragen niet bij het dagelijks bestuur onverwijld en uit eigen beweging heeft gemeld. Het betreft hier gegevens die onmiskenbaar van belang zijn voor het recht op bijstand. Reeds door het dagelijks bestuur hiervan niet in kennis te stellen heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Tevens heeft appellant in strijd met zijn verplichting verzuimd om het dagelijks bestuur te informeren over onder meer de inschrijving van de twee koeriersbedrijven bij de KvK.

4.11.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.12.

Appellant heeft aangevoerd dat het dagelijks bestuur zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand niet aan de hand van de overgelegde bankafschriften kon worden vastgesteld. Deze grond slaagt niet.

4.12.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450) worden kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de WWB beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de WWB. De op de ABN AMRO-rekening van appellant bijgeschreven bedragen dienen gelet op het voorgaande als zodanige inkomsten te worden aangemerkt.

4.12.2.

Het dagelijks bestuur heeft er voorts op goede grond vanuit kunnen gaan dat een reële mogelijkheid bestond dat appellant meer inkomsten heeft verkregen dan die, welke uit de bankafschriften blijken. In dit verband is van betekenis dat appellant onvoldoende heeft toegelicht en niet met objectieve en verifieerbare gegevens heeft onderbouwd, wat de herkomst van de ontvangen bedragen was. Enkele van de bijschrijvingen door derden heeft appellant verklaard als betaling voor verricht werk. Van dit werk heeft hij echter geen melding gemaakt bij het dagelijks bestuur en tot op heden heeft hij hierover geen enkel gegeven overgelegd. Enkele van de kasstortingen heeft appellant verklaard met de stelling dat het geleende bedragen betrof. Hij heeft in de bezwaarprocedure ter onderbouwing van die stelling een op 11 december 2013 opgemaakte verklaring van een vriend overgelegd, waarin staat dat deze appellant diverse geldbedragen, variërend van € 40,- tot € 350,- heeft geleend. Deze achteraf opgestelde verklaring vindt echter geen steun in objectieve en verifieerbare gegevens en is dus onvoldoende om de stelling van appellant aannemelijk te maken. Daarbij komt dat de daarin vermelde bedragen slechts zien op een deel van de geldstortingen. Nu de oorsprong van de bijschrijvingen niet duidelijk is geworden, is niet uit te sluiten dat appellant uit die inkomstenbron nog andere bedragen heeft ontvangen die niet op de bankafschriften zichtbaar zijn. Dit klemt te meer nu appellant bij de KvK was ingeschreven met twee koeriersbedrijven en hij blijkens zijn pingedrag veelvuldig in diverse andere plaatsen dan [woonplaats] verbleef. Voor deze feiten heeft appellant geen afdoende, consistente verklaring gegeven.

4.12.3.

Gelet op voorgaande heeft het dagelijks bestuur uit de onderzoeksbevindingen terecht de conclusie getrokken dat appellant in de te beoordelen perioden beschikte over een onbekende inkomstenbron. Aangezien de omvang daarvan niet duidelijk is geworden, was de mate van bijstandbehoevendheid van appellant niet vast te stellen.

4.13.

Appellant is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Hij heeft geen boekhouding of administratie van zijn inkomsten bijgehouden en overgelegd, noch anderszins voldoende inzicht in zijn inkomenssituatie verschaft.

4.14.

Uit 4.7 tot en met 4.13 volgt dat het dagelijks bestuur gehouden was om de aan appellant over de te beoordelen perioden verleende bijstand in te trekken.

4.15.

Uit 4.6, 4.7 en 4.14 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen zal dan ook worden bevestigd.

4.16.

Gelet op 4.15 bestaat geen grond voor toewijzing van het verzoek om schadevergoeding.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en F. Hoogendijk en

J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2016.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) A. Stuut

JL