Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2175

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
14-06-2016
Datum publicatie
21-06-2016
Zaaknummer
14-74 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. Schending inlichtingenverplichting. Verzwegen autohandel. Niet aannemelijk dat appellant geen melding hoefde te maken van aanschaf auto's. Geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Terugvordering niet verjaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/74 WWB

Datum uitspraak: 14 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

28 november 2013, 12/1391 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Eijsden-Margraten (college)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van het opheffen van de gemeenschappelijke regeling per 1 januari 2016 treedt in dit geding het college in de plaats van het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland. In deze uitspraak wordt onder college tevens verstaan het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland.

Namens appellant heeft mr. A.J.J. Kreutzkamp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 25 februari 2015 heeft mr. R.C.C.M. Nadaud, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld. Bij brief van 21 april 2015 heeft mr. L.C.A.M. Bouts, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bouts. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

M.T.P.P. Gijsens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving met ingang van 23 maart 2002 bijstand, aanvankelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) en laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Bij besluit van 25 maart 2002 heeft de [naam stichting] aan appellant een uitkering toegekend tot een totaalbedrag van € 8.200,92 (uitkering). Bij brief van 5 februari 2003 heeft het college aan appellant meegedeeld dat de uitkering buiten beschouwing zal worden gelaten bij de vermogensbepaling in het kader van de Abw. Ook de door appellant met de uitkering gefinancierde auto (een Volkswagen Passat met kenteken

[kenteken 1] ) zal niet worden meegenomen bij de vermogensbepaling.

1.3.

Naar aanleiding van verschillende signalen van het inlichtingenbureau over voertuigen die appellant in zijn bezit heeft of heeft gehad, heeft de sociale recherche van de Regionale Sociale Dienst Pentasz Mergelland een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek gedaan en informatie ingewonnen bij de Dienst Wegverkeer (RDW), appellant verhoord en [getuige G] (G) als getuige gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 10 oktober 2011.

1.4.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

9 november 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 juli 2012 (bestreden besluit), de bijstand van appellant in de periode van 1 juli 2002 tot en met 31 juli 2010 over 29 concreet aangeduide maanden in te trekken en de over die maanden gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 29.959,58 bruto van appellant terug te vorderen. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat uit de informatie van de RDW is gebleken dat in die periode in totaal 35 kentekens op naam van appellant hebben gestaan, waarvan verscheidene kentekens slechts enkele dagen tot een maand en in een aantal periodes verscheidene kentekens tegelijkertijd op naam van appellant stonden. In 29 maanden heeft appellant voertuigen overgedragen aan derden (transactiemaanden). Door van de transacties met deze voertuigen geen melding te maken heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg van deze schending en de omstandigheid dat appellant geen informatie heeft verstrekt over de aan- en verkoopwaarde van de voertuigen kan het recht op bijstand over de transactiemaanden niet worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Uit de gegevens van de RDW blijkt dat in de periode van juli 2002 tot en met juli 2010 in totaal 35 kentekens van voertuigen op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan. De tenaamstellingen zijn vaak van korte duur geweest en gedurende een aantal periodes stonden verscheidene kentekens tegelijkertijd geregistreerd op naam van appellant. De registratie van 33 kentekens van voertuigen op naam van appellant is in de in 1.4 genoemde maanden geëindigd. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 december 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK8306) heeft het college, gelet op die gegevens, aannemelijk gemaakt dat met betrekking tot de voertuigen transacties hebben plaatsgevonden. De datum met ingang waarvan een kenteken niet langer op naam van appellant staat, is de datum waarop de betreffende transactie heeft plaatsgevonden. Appellant heeft van deze transacties geen melding gemaakt bij het college.

4.2.1.

De beroepsgrond dat appellant de in 4.1 genoemde voertuigen niet hoefde te melden, omdat hij na ontvangst van de in 1.2 genoemde uitkering met zijn klantmanager G had afgesproken dat daarvan geen melding hoefde te worden gemaakt zolang de kosten van de voertuigen lager waren dan deze uitkering, slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellant deze door hem gestelde afspraak niet aannemelijk heeft gemaakt. G is tijdens de zitting van de rechtbank als getuige gehoord en heeft verklaard dat met appellant een afspraak is gemaakt over de aanschaf van een auto van de in 1.2 genoemde door hem ontvangen uitkering. Deze auto zou niet meetellen voor de vermogenstoets en wanneer hij deze zou inruilen zou ook die andere auto niet meetellen voor de vermogenstoets. G heeft verder verklaard dat appellant het inruilen van de auto wel moest melden en dat ook een meldplicht bestaat voor de aanschaf van oude auto’s. Het college heeft verder terecht aangevoerd dat het bestaan van de door appellant gestelde afspraak niet aannemelijk is te achten omdat de melding van het bezit van voertuigen niet enkel van belang is voor de omvang van het vermogen, maar ook om te bepalen of een betrokkene beschikt of kan beschikken over inkomsten uit de met de voertuigen verrichte transacties. Aan de verklaringen van

[naam S] (S) en [naam T] (T), die volgens appellant zijn afspraak met G bevestigen, heeft de rechtbank terecht geen gewicht toegekend. S en T zijn eveneens tijdens de zitting van de rechtbank als getuige gehoord en hebben niet verklaard dat appellant geen melding hoefde te maken van de in 4.1 bedoelde transacties. Uit de verklaring van T, consulent woonwagenzaken, tijdens de zitting van de rechtbank blijkt bovendien eveneens dat de gemaakte afspraak met G zag op de beoordeling van het vermogen van appellant. Hij heeft verklaard dat hij tijdens het maken van de afspraak aanwezig is geweest om duidelijk te maken dat de uitkering niet meegeteld mag worden bij de vermogenstoets. Deze afspraak is ook bevestigd bij de in 1.2 genoemde brief van 5 februari 2013.

4.2.2.

De beroepsgrond dat sprake was van oude voertuigen die geen waarde vertegenwoordigden en daarom niet door appellant gemeld hoefden te worden, slaagt evenmin. Weliswaar hanteert het college als beleid dat een auto van acht jaar of ouder niet meetelt als vermogen, behalve als deze nog een bepaalde waarde vertegenwoordigt, maar het college heeft betwist dat de aanschaf van oude auto’s niet gemeld hoeft te worden. Afgezien van het feit dat met de transacties sprake is van op geld waardeerbare activiteiten en van het mogelijk verwerven van inkomsten, zou ook in dat geval sprake zijn van een omstandigheid waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kan zijn op het recht op bijstand en had appellant daarvan melding moeten maken aan het college. Daarna is het aan het college om te beoordelen of het autobezit en de transacties daadwerkelijk gevolgen hebben voor het recht op bijstand.

4.3.

Uit 4.2.1 en 4.2.2 volgt dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het autobezit en de transacties die hebben plaatsgevonden.

4.4.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

4.5.

Appellant is hierin niet geslaagd. Hij heeft geen concrete en verifieerbare gegevens overgelegd met betrekking tot de autotransacties. Als gevolg daarvan kan niet worden vastgesteld of, en zo ja, in welke omvang, appellant in de maanden waarin transacties hebben plaatsgevonden recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad.

4.6.

Het beroep op dringende redenen om van terugvordering af te zien, slaagt niet. Dringende redenen zijn slechts gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. De door appellant gestelde omstandigheid dat hij lang na de met G gemaakte afspraak wordt geconfronteerd met de terugvordering van een aanzienlijk bedrag, kan niet worden aangemerkt als een dringende reden als hiervoor bedoeld. Verder is van belang dat financiële gevolgen van een besluit tot terugvordering zich in het algemeen pas voordoen indien daadwerkelijk tot invordering wordt overgegaan. Daarbij heeft appellant als schuldenaar bescherming, of kan hij deze zo nodig inroepen, van de regels over de beslagvrije voet als bedoeld in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.7.

De beroepsgrond van appellant dat de vordering is verjaard, slaagt evenmin. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW9784) is de verjaringstermijn voor het nemen van een besluit tot terugvordering van bijstand vijf jaar en vangt deze aan op het moment dat het bestuursorgaan bekend is geworden met feiten of omstandigheden op grond waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit inzake terugvordering in de rede ligt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college eerst op grond van de bevindingen van het onder 1.3 genoemde rapport van 10 oktober 2011 op de hoogte is geraakt van de feiten en omstandigheden die leiden tot de conclusie dat sprake is van onverschuldigd betaalde bijstand. Appellant heeft gesteld dat de sociale recherche al voor 2007 bekend was met de kwestie en heeft daartoe gewezen op het heronderzoek in 2004. Dat appellant in 2004 melding heeft gemaakt van de aankoop van de Audi A6 met kenteken

[kenteken 2] met gelden van de in 2002 ontvangen uitkering, doet echter aan het vorenstaande niet af. De melding van de aanschaf van deze auto kan immers niet worden aangemerkt als de melding van de onder 4.1 genoemde autotransacties. Het lag op de weg van appellant om het college tijdig op de hoogte te stellen van deze autotransacties.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en G.M.G. Hink en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2016.

(getekend) M. Hillen

(getekend) C. Moustaïne

HD