Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2166

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
21-06-2016
Zaaknummer
15/2031 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvullende inkomensvoorziening ondernemen (AIO) Kosten bezwaar. Verzoek vergoeding kosten i.v.m. behandeling van het bezwaar is tijdig ingediend. Proceskosten in beroep uitzondering op het algemene uitgangspunt om vergoeding voor proceskosten toe te kennen als het bestuursorgaan de betrokkenen tegemoet is gekomen. Rechtbank heeft terecht geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. Verzoek om schadevergoeding: Svb slechts geschonden de wettelijke rente te vergoeden over de na te bepalen A10.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2031 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

10 februari 2015, 14/4864 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.M. Terrahe, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2016. Appellante is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante heeft zich op 15 mei 2013 gemeld voor een aanvraag om een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling).

1.2.

Bij besluit van 31 januari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 juni 2014 (bestreden besluit 1), heeft de Svb de aanvraag afgewezen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellante heeft geweigerd een Canadees ouderdomspensioen aan te vragen. De Svb beschikt daardoor over te weinig informatie om de hoogte van haar AIO-aanvulling vast te stellen.

1.3.

Appellante heeft bij brief van 19 juli 2014 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 1. Ter zitting van de rechtbank op 21 november 2014 heeft appellante een brief overgelegd van Service Canada van 1 maart 2012, waarin appellante wordt geïnformeerd dat zij een ouderdomspensioen van 327,38 Canadese dollars (CD) per maand zal ontvangen indien zij daartoe een aanvraag indient. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om de Svb de gelegenheid te bieden een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft bij haar schorsingsbeslissing, voor zover hier van belang, geoordeeld dat het Canadees ouderdomspensioen een voorliggende voorziening is als bedoeld in artikel 15 van de Wet werk en bijstand (WWB) en dat de Svb bij het bepalen van de hoogte van de AIO-aanvulling het Canadees ouderdomspensioen als fictief inkomen mag aanmerken. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de Svb zich tot de zitting terecht op het standpunt heeft gesteld dat de hoogte van het Canadees ouderdomspensioen ongewis was en zich in het dossier geen aanknopingspunten bevinden dat appellante de Svb eerder dan ter zitting van de rechtbank op de hoogte heeft gesteld van de brief van Service Canada van 1 maart 2012.

1.4.

Bij besluit van 27 november 2014 (bestreden besluit 2) heeft de Svb alsnog aan appellante met ingang van 15 mei 2013 een AIO-aanvulling toegekend van € 333,87 per maand en over de periode van mei 2013 tot en met november 2014 een nabetaling toegekend tot een bedrag van € 5.059,54. De Svb heeft bij de berekening van de aanvulling rekening gehouden met een Canadees ouderdomspensioen van CD 327,38, een ABP-pensioen en een AOW-pensioen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk verklaard wegens vervallen procesbelang en het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij, onder verwijzing naar de in 1.3 vermelde overwegingen van de schorsingsbeslissing, geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, samengevat, aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen vergoeding voor de kosten in bezwaar en proceskosten heeft toegekend. De Svb was reeds op 18 december 2013 ervan op de hoogte dat appellante een Canadees ouderdomspensioen van ongeveer CD 300,- zou kunnen aanvragen. Dat appellante eerst een aanvraag voor het Canadees ouderdomspensioen moest indienen, is ten onrechte door de Svb als voorwaarde gesteld en appellante moest een bezwaar- en beroepsprocedure doorlopen om alsnog haar AIO-aanvulling te krijgen. Appellante heeft voorts vergoeding gevraagd van de schade die zij stelt te hebben geleden doordat de AIO-aanvulling pas eind november 2014 aan haar is toegekend. Zij betoogt door boetes, incassokosten en extra kosten in verband met het niet (tijdig) kunnen betalen van diverse rekeningen van Agis, Nuon en Vitens materiele schade te hebben geleden tot een bedrag van € 843,03.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De kosten in bezwaar

4.1.

De Raad stelt voorop dat blijkens de gedingstukken appellante niet tijdig heeft verzocht om vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van het bezwaar. Gelet hierop bestaat op grond van artikel 8:75, in verbinding met artikel 7:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen ruimte voor de verzochte vergoeding.

De proceskosten in beroep

4.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 5 maart 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC6128 en van 12 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:397) bestaat in het algemeen aanleiding om een bestuursorgaan te veroordelen in de kosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb op grond van het enkele feit dat het bestuursorgaan aan de betrokkene tegemoet is gekomen. Evenals bij de toepassing van artikel 8:75a van de Awb (zie hiervoor de uitspraak van

16 mei 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX6776) kan op dit uitgangspunt slechts een uitzondering worden gemaakt vanwege bijzondere omstandigheden. Indien bijvoorbeeld de noodzaak om beroep (of hoger beroep) in te stellen uitsluitend is te wijten aan de handelwijze van betrokkene zelf, kan wel gesproken worden van een bijzondere omstandigheid.

4.3.

Gelet op het procesverloop doen zich bijzondere omstandigheden voor. De Svb heeft, anders dan appellante meent, op goede gronden aan appellante verzocht een aanvraag om een Canadees ouderdomspensioen in te dienen. Zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld is dit pensioen een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de WWB. Ter bepaling van de omvang van het eventuele recht op de AIO-aanvulling moet de Svb dan ook beschikken over verifieerbare gegevens met betrekking tot de hoogte van het Canadees ouderdomspensioen. Het betoog van appellante dat zij reeds zij op 18 december 2013, tijdens haar gesprek met twee medewerkers van de Svb, heeft meegedeeld dat zij in aanmerking zou komen voor een Canadees pensioen van ongeveer CD 300,- doet, wat hiervan ook zij, hier niet aan af. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat appellante ter zitting van de Raad heeft bevestigd dat zij de brief van Service Canada van 1 maart 2012 niet tijdens het gesprek op

18 december 2013 heeft overgelegd en in de gedingstukken geen aanknopingspunten zijn te vinden dat appellante reeds eerder dan ter zitting van de rechtbank op 21 november 2014 het door haar gestelde bedrag aan Canadees ouderdomspensioen verifieerbaar heeft onderbouwd. Appellante heeft eerst in beroep de brief van Service Canada van 1 maart 2012 overgelegd aan de Svb waarna de Svb op grond van dat stuk het bestreden besluit 2 heeft genomen.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien voor een proceskostenveroordeling.

Het verzoek om vergoeding van materiële schade

4.5.

De rechtbank heeft, nadat zij het beroep tegen het bestreden besluit 1 niet-ontvankelijk heeft verklaard en het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond heeft verklaard, in strijd met het bepaalde in artikel 8:69, eerste lid, en artikel 8:73 van de Awb niet beslist op het verzoek om toekenning van een schadevergoeding. De aangevallen uitspraak komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad dit verzoek thans beoordelen.

4.6.

De Svb heeft in de in 1.3 vermelde schorsingsbeslissing van de rechtbank aanleiding gezien het in 1.2 vermelde besluit van 31 januari 2014 en het bestreden besluit 1 niet te handhaven. Hiermee is de onrechtmatigheid van deze besluiten gegeven.

4.7.

Met betrekking tot het verzoek van appellante om vergoeding van haar materiële schade stelt de Raad voorop dat uitsluitend aan de orde kan komen de gestelde schade die het gevolg is van het onrechtmatige besluit van 31 januari 2014.

4.8.

Voor de vaststelling van schade moet zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht (uitspraak van 27 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT7159). De materiële schade die appellante stelt te hebben geleden is het gevolg van de niet tijdig uitbetaalde AIO-aanvulling ten gevolge van het onrechtmatige besluit van 31 januari 2014 over de periode van mei 2013 tot en met november 2014.

Artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) normeert de omvang en de duur van een civielrechtelijke schadevergoedingsverplichting. Artikel 6:119, eerste lid, van het BW bepaalt dat schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest. Ook de gevolgen van een onrechtmatige tijdelijke weigering van uitkering zijn in beginsel terug te voeren op de vertraagde uitbetaling van die uitkering, althans voor zover het gaat om kosten die zijn gemaakt als gevolg van het tijdelijk gemis aan geld door die weigering. Geen reden bestaat om over de gestelde schadeposten, bestaande uit boetes, incassokosten en extra kosten van Agis, Nuon en Vitens, in dit geval een ander oordeel te geven (vergelijk de uitspraak van 17 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:832). Een en ander brengt mee dat de Svb gehouden is de wettelijke rente over de na te betalen AIO-aanvulling te vergoeden en dat er geen plaats is voor zelfstandige vergoeding van de door appellante gestelde schadeposten. In zoverre wordt het verzoek afgewezen.

4.9.

Hieruit volgt dat op het verzoek om schadevergoeding slechts de wettelijke rente toewijsbaar is over de na te betalen AIO-aanvulling over de periode van mei 2013 tot en met november 2014. Deze zal in het dictum worden toegewezen. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

5. Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 496,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank niet heeft beslist op het verzoek om vergoeding van schade;

  • -

    wijst het verzoek om vergoeding van schade toe en bepaalt dat de Svb aan appellante verschuldigd is te betalen de wettelijke rente over de periode van mei 2013 tot en met november 2014, te berekenen als onder 4.9 is overwogen, en wijst het meer en anders gevorderde af;

veroordeelt de Svb in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 496,-;

- bepaalt dat de Svb aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2016.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) B. Fotchind

MK