Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2164

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2016
Datum publicatie
16-06-2016
Zaaknummer
15/4589 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korpschef heeft terecht en in overeenstemming met de uitgangspositie van appellant vastgesteld dat appellant met ingang van 1 januari 2012 overgaat naar de LFNP-functie van [functie 3] , salarisschaal 10. Uitvoerige toelichting. De gegeven motivering op het punt van de matching is niet ontoereikend. Bestreden besluiten zijn gebaseerd op de transponeringstabel. Gelet op vaste rechtspraak is die grondslag in beginsel toereikend. Ter zitting door appellant gedane beroep op artikel 8:69, tweede lid, van de Awb treft geen doel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4589 AW

Datum uitspraak: 2 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

19 mei 2015, 14/4916 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.J. Dammingh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dammingh. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F.A.M. Bot, mr. V. de Kruijf-Stellaard en R.M.M. Paulssen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor het kader en de regelgeving van dit hoger beroep verwijst de Raad naar zijn uitspraken van 1 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663).

1.2.

Appellant was werkzaam in de politieregio [politieregio] . Bij besluit van

29 februari 2012 heeft de korpschef de uitgangspositie van appellant voor de omzetting naar het LFNP vanaf 1 januari 2010 tot 31 maart 2011 en op 31 maart 2011 vastgesteld op de functie van [functie 1] . Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Bij besluit van 16 december 2013 heeft de korpschef ten aanzien van appellant een besluit genomen tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie van [functie 2] (schaal 9) over de periode van 1 juni 2010 tot 4 september 2010 en tot toekenning van en overgang naar de LFNP-functie [functie 3] (schaal 10), met als vakgebied [vakgebied 1] , over de periode van 4 september 2010 tot en met 31 december 2011. Voorts is bepaald dat appellant per 1 januari 2012 naar de laatst vermelde LFNP-functie overgaat. Bij besluit van 4 juli 2014 (bestreden besluit) is het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat en voor zover hier relevant, het volgende overwogen.

2.2.

De transponeringstabel, opgenomen in een bijlage bij de Regeling overgang naar een LFNP functie, Stcrt. 2013, nr. 13141 (Regeling) 6, is een algemeen verbindend voorschrift. Verwezen wordt in dat verband naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

12 december 2014 (ECLI:NL:RBMNE:2014:6637). In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel. Nu geen sprake is van ernstige feilen die kleven aan de inhoud of de totstandkoming van de transponeringstabel, kan deze als grondslag dienen voor het daarop gebaseerde bestreden besluit.

2.3.

De omstandigheid dat de matching bij appellant heeft geleid tot toekenning van en overgang naar een LFNP-functie die inhoudelijk afwijkt van zijn korpsfunctie leidt niet tot het oordeel dat de korpschef daarom artikel 3, vierde lid, van de Regeling en de transponeringstabel buiten toepassing had moeten laten. Dit is een voorzienbare consequentie, die kennelijk door de partijen betrokken bij het Georganiseerd Overleg in Politieambtenarenzaken is aanvaard.

3. De Raad komt naar aanleiding van hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd tot de volgende beoordeling.

3.1.

Vooropgesteld wordt dat de Raad in zijn onder 1.1 genoemde uitspraken van 1 juni 2015 heeft geoordeeld dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voor het oordeel dat er aan de inhoud of wijze van totstandkoming van de Regeling zodanige ernstige feilen kleven dat dit voorschrift niet als grondslag kan dienen voor daarop in concrete gevallen te baseren besluiten en dat de in de bijlage bij de Regeling opgenomen transponeringstabel, hoewel deze het karakter van een algemeen verbindend voorschrift ontbeert, als grondslag mag dienen voor besluitvorming als hier aan de orde, waarbij de korpschef in beginsel mag volstaan met een verwijzing daarnaar. Het is aan de betrokken politieambtenaar om aannemelijk te maken dat de matching niet overeenkomstig de Regeling is geschied of dat het resultaat van de matching anderszins onhoudbaar is te achten. Het enkele feit dat een andere uitkomst ook verdedigbaar zou zijn geweest, is niet voldoende.

3.2.1.

Appellant heeft betoogd dat de matching in zijn geval niet overeenkomstig de Regeling is geschied en dat de matching had moeten leiden tot een indeling in het domein [domein 1] , vakgebied [vakgebied 2] , op de functie van [functie 4] , nu zijn werkzaamheden voornamelijk zijn gericht op het bieden van [domein 2] van de uitvoeringspraktijk door middel van politiële beleidsontwikkeling en beleidsconcretisering. Appellant stelt in dit verband dat hij structureel is belast met taken die in direct verband staan met de operationele politietaken.

3.2.2.

Uitgaande van de inhoud van de schriftelijke, formele korpsfunctiebeschrijving zoals vastgelegd in de uitgangspositie, heeft de korpschef terecht en in overeenstemming met de uitgangspositie van appellant vastgesteld dat appellant met ingang van 1 januari 2012 overgaat naar de LFNP-functie van [functie 3] , salarisschaal 10. In het matchingsformulier is de keuze voor [functie 3] uitvoerig toegelicht. De daar gegeven motivering dat voor het domein [domein 2] is gekozen omdat uit de korpsfunctie blijkt dat een bijdrage wordt geleverd aan een effectief en efficiënt werkende politieorganisatie, terwijl tegelijkertijd uit de korpsfunctie blijkt dat geen of een beperkte directe bijdrage wordt geleverd aan operationele politietaken, acht de Raad niet onjuist. Hetzelfde geldt voor de motivering dat het vakgebied [vakgebied 1] het meest vergelijkbaar wordt geacht, omdat andere vakgebieden uit het domein [domein 2] nu juist niet dan wel minder vergelijkbaar zijn met de korpsfunctiebeschrijving en het daarin gegeven opleidingsniveau. Het betoog van appellant slaagt dus niet. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat de matching in zijn geval niet overeenkomstig de Regeling is geschied of anderszins een onhoudbaar resultaat kent.

3.3.

De stelling van appellant dat de korpschef nader onderzoek had moeten verrichten en bij de matching rekening had moeten houden met andere documenten zoals beoordelingen en verslagen van functioneringsgesprekken, slaagt niet. Dergelijke documenten zien in feite op de uitgangspositie. In artikel 3, vierde lid, van de Regeling en in de Beleidsregel instructie organieke matching is immers voorgeschreven welke stukken bij de matching worden meegewogen. De door appellant genoemde documenten worden hierin, logischerwijs, niet genoemd.

3.4.

Anders dan appellant en met de korpschef acht de Raad de in het bestreden besluit gegeven motivering op het punt van de matching niet ontoereikend. De korpschef heeft in het bestreden besluit ten aanzien van de stelling van appellant over zijn feitelijke werkzaamheden en de bestanddelen uit zijn functiebeschrijving verwezen naar de mogelijkheid tot functieonderhoud, de wijze van matching en de transponeringstabel. Daarmee is wel degelijk gemotiveerd waarom het resultaat van de matching overeenkomstig de Regeling is geschied en niet anderszins onhoudbaar is te achten. Weliswaar was het beter geweest als de motivering op dit punt wat meer op de persoon van betrokkene toegesneden was, maar van een motiveringsgebrek op dit punt kan niet worden gesproken, juist nu de korpschef voor besluitvorming als hier aan de orde in beginsel mag verwijzen naar de transponeringstabel.

3.5.1.

Voor zover appellant zich op het standpunt stelt dat met het oordeel dat aan de transponeringstabel, ondanks dat deze het karakter van een algemeen verbindend voorschrift ontbeert, niettemin een zwaarwegende betekenis moet worden gehecht in de onder 3.1 bedoelde zin, in strijd met artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de grondslag van het bestreden besluit wordt uitgebreid, deelt de Raad dit standpunt niet. De Raad heeft in, onder meer, zijn uitspraak van 31 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1175, het volgende overwogen: “Voor zover appellanten zich op het standpunt stellen dat met het oordeel dat aan de transponeringstabel, ondanks dat deze het karakter van een algemeen verbindend voorschrift ontbeert, niettemin een zwaarwegende betekenis moet worden gehecht in de onder 3.1 bedoelde zin, in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb de grondslag van de bestreden besluiten wordt uitgebreid, deelt de Raad dit standpunt niet. De bestreden besluiten zijn gebaseerd op de transponeringstabel. Zoals al is geconcludeerd in de uitspraken van 1 juni 2015, is die grondslag in beginsel toereikend. Die conclusie houdt geen aanvulling of wijziging van de aan de bestreden besluiten ten grondslag gelegde motivering in (zie ook de uitspraak van 3 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:752).”

3.5.2.

De Raad ziet in wat appellant in deze zaak op dit punt aanvoert geen reden om hierover thans anders te oordelen. Het ter zitting door appellant gedane beroep op artikel 8:69, tweede lid, van de Awb treft geen doel. Weliswaar stelt appellant terecht dat de in dat artikellid bedoelde aanvulling van rechtsgronden ziet op de door de indiener van het (hoger) beroep aangedragen gronden en niet op de grondslag van het in geding zijnde besluit, maar dat staat los van, en beïnvloedt dus in het geheel niet, de hierboven weergegeven vaststelling dat het rechterlijk oordeel dat de transponeringstabel in beginsel een toereikende grondslag vormt voor besluiten als hier aan de orde, geen aanvulling of wijziging van de aan deze besluiten ten grondslag gelegde motivering inhoudt. Wat appellant heeft aangevoerd over artikel 8:3 van de Awb kan in dit verband evenmin doel treffen. In dit geding lag en ligt voor een besluit tot toekenning van en overgang naar een LFNP-functie. Een dergelijk besluit was en is vatbaar voor bezwaar en beroep. Dat de korpschef aanvankelijk, gezien zijn achteraf onjuist gebleken veronderstelling dat de transponeringstabel als een algemeen verbindend voorschrift was te beschouwen, heeft gewezen op de onmogelijkheid tegen een zodanig voorschrift als zodanig bezwaar en beroep in te stellen, maakt dat niet anders en was en is in dit geding dan ook niet van belang.

4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. In het verlengde hiervan bestaat er evenmin aanleiding om, zoals is verzocht, de korpschef te veroordelen tot vergoeding van griffierecht.

5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2016.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) S.W. Munneke

IJ