Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2160

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
21-06-2016
Zaaknummer
15/4665 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering bijstand. Niet melden van inkomsten uit de verkoop van pups. Geen ruimte voor verrekening van verwervingskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4665 WWB, 15/4666 WWB

Datum uitspraak: 7 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

20 mei 2015, 15/342 en 15/393 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Stadskanaal (college)

PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2016. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Snijders.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 10 juni 2010 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme melding dat appellanten pups verkopen, hebben een sociaal rechercheur en een bijzonder controleur van het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Noord en Oost Groningen (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verstrekte bijstand. Daartoe heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht, het internet geraadpleegd, waarnemingen gedaan en appellante op 18 september 2013 en appellant op 25 september 2013 gehoord. Appellanten hebben verklaard dat zij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 september 2013 zes nestjes met pups hebben gehad, waarvan het laatste nestje op 28 augustus 2013 is geweest en van de eerdere nestjes in totaal 23 pups zijn verkocht voor een bedrag van € 800,- per pup. Appellanten hebben drie pups zelf gehouden en hebben daarnaast acht volwassen honden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 4 november 2013. Op basis van de onderzoeksresultaten en de door appellanten overgelegde administratie heeft een rapporteur van de afdeling Werk en Inkomen van de gemeente Stadskanaal een berekening van de door appellanten ontvangen inkomsten gemaakt en deze neergelegd in een rapport van 17 december 2013.

1.3.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluiten van

23 december 2013 en 16 januari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluiten van

19 december 2014 (bestreden besluiten), de bijstand van appellanten over de periode van

1 januari 2011 tot en met 30 september 2013 herzien en de over deze periode ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 17.019,35 bruto van appellanten teruggevorderd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van het fokken van honden en de daarmee verworven inkomsten. De inkomsten van appellanten heeft het college vastgesteld door op de inkomsten in die periode uit de verkoop van 23 pups, voor een bedrag van € 800,- per pup, de directe en aangetoonde kosten in mindering te brengen en het totaal aan netto inkomsten vastgesteld op een bedrag van € 13.227,81.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep van appellanten tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3. Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De hier te beoordelen periode loopt van 1 januari 2011 tot en met 30 september 2013.

4.2.

Niet in geschil is dat appellanten in de te beoordelen periode inkomsten uit de verkoop van pups hebben ontvangen en daarvan geen melding hebben gedaan aan het college. Evenmin is in geschil dat appellanten in de te beoordelen periode in totaal 23 pups hebben verkocht voor een bedrag van € 800,- per pup. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of het college de door appellanten gestelde kosten op juiste wijze in mindering heeft gebracht op de inkomsten.

4.2.1.

Appellanten hebben aangevoerd dat alle door hen gemaakte kosten zijn terug te voeren op het fokken van honden en daarom op de inkomsten uit verkoop van pups in mindering moeten worden gebracht. De opbrengst van de verkoop van de pups is besteed aan het onderhouden en verzorgen van alle honden van appellanten. De kosten die het college heeft meegenomen bij de bepaling van de hoogte van de terugvordering staan dan ook in geen enkele verhouding tot de daadwerkelijk gemaakte kosten.

4.2.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 6 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU9167) is in het kader van de toepassing van de WWB bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen geen ruimte voor verrekening van verwervingskosten. De door appellanten aangehaalde kosten zijn aan te merken als dergelijke verwervingskosten. Die kosten kunnen bij de vaststelling van de inkomsten van appellanten dan ook niet in mindering worden gebracht op die inkomsten.

4.2.3.

Het college is evenwel bij de herziening bereid gebleken de ten behoeve van het fokken van de pups gemaakte kosten in mindering te brengen op de inkomsten. Het college heeft zich daarbij terecht op het standpunt gesteld dat uitsluitend rekening kan worden gehouden met de aantoonbaar gemaakte en direct aan het fokken van de bewuste pups toe te rekenen kosten. Anders dan appellanten betogen, hoeft het college geen rekening te houden met alle kosten die zijn gemoeid met het houden van honden. Niet gebleken is dat het college andere kosten in acht heeft genomen, zodat appellanten dan ook niet kunnen worden gevolgd in hun stelling dat het college met willekeurig bepaalde kosten rekening heeft gehouden.

4.3.

Uit 4.1 tot en met 4.2.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2016.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) B. Fotchind

MK