Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2151

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-06-2016
Datum publicatie
16-06-2016
Zaaknummer
15-4602 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herzieningsverzoek niet-ontvankelijk verklaard. Geen nieuwe feiten of omstandigheden. Herziening verzoek onredelijk laat ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4602 AOW

Datum uitspraak: 10 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 september 2013, 12/5551 AOW, ECLI:NL:CRVB:2013:1761

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Verzoeker heeft bij een op 19 juni 2015 door de Raad ontvangen brief verzocht om herziening van de uitspraak van 13 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1761.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Verzoeker heeft nog nadere stukken aan de Raad toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2016. Appellant is daarbij in persoon verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A.J. Groenendaal.

OVERWEGINGEN

1.1.

In zijn uitspraak van 17 oktober 2001, 99/5701, heeft de Raad geoordeeld dat de Svb bij het besluit van 1 mei 1998 terecht heeft besloten tot een korting van 2% op het aan verzoeker toegekende pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW), omdat hij in verband met werkzaamheden in België gedurende het tijdvak van 29 december 1957 tot en met

27 januari 1959 niet verzekerd was ingevolge de AOW.

1.2.

Bij zijn uitspraak van 17 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX4897 (oorspronkelijke uitspraak), heeft de Raad, oordelend op het hoger beroep van verzoeker, de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 16 september 2010, 09/5362, bevestigd. De Raad heeft in deze uitspraak geoordeeld dat verzoeker bij zijn verzoek om terug te komen van het besluit van 1 mei 1998, geen nieuw gebleken feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft vermeld.

1.3.

Het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 17 augustus 2012, is afgewezen bij uitspraak van 13 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1761 (herzieningsuitspraak). De Raad heeft in die uitspraak overwogen dat hetgeen verzoeker naar voren heeft gebracht, niet is aan te merken als een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb.

2.1.

Op 19 juni 2015 heeft verzoeker een verzoek ingediend om herziening van de herzieningsuitspraak.

2.2.

Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 11 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP7934) kan alleen van een oorspronkelijke uitspraak om herziening worden verzocht en niet van een herzieningsuitspraak. Het voorliggend verzoek om herziening moet dan ook worden opgevat als een nieuw verzoek om herziening van de oorspronkelijke uitspraak.

3.1.

Het verzoek om herziening heeft dus betrekking op een uitspraak van vóór de op

1 januari 2013 in werking getreden Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Stb 2012, 682) waarbij wijzigingen in onder meer de Awb en de Beroepswet zijn aangebracht. Op grond van het overgangsrecht blijft dan, in verbinding met artikel 21 van de Beroepswet, artikel 8:88 van de Awb (in plaats van het huidige artikel 8:119 van de Awb) van toepassing op het verzoek om herziening.

3.2.

Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten en omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak;

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren ze bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

4.1.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 20 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1055) moet in het belang van de rechtseenheid voorop worden gesteld dat van degene die om herziening vraagt van een uitspraak, mag worden verwacht dat hij niet onredelijk lang wacht met de indiening van dat verzoek. Een onredelijk laat ingediend herzieningsverzoek moet niet-ontvankelijk worden verklaard.

4.2.

Een verzoek om herziening wordt in de regel geacht onredelijk laat te zijn ingediend, indien het verzoek is ingediend meer dan één jaar nadat de indiener bekend is geworden met de daarin gestelde nieuwe feiten of omstandigheden, dan wel, indien geen nova zijn gesteld, na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht.

4.3.

De hiervoor in 4.2 geformuleerde regel geldt niet voor het indienen van een verzoek om herziening van een uitspraak over een bestuurlijke boete. Een dergelijk verzoek is niet aan de in 4.2 vermelde termijn van één jaar gebonden.

4.4.

Deze zaak heeft geen betrekking op een uitspraak over een bestuurlijke boete. Verzoeker heeft in zijn verzoek om herziening – samengevat – neergelegd dat de overgangsbepalingen in de AOW die betrekking hebben op de periode voor 1957, niet goed zijn toegepast, omdat hij al vanaf zijn veertiende jaar heeft gewerkt en verzekerd is geweest. Afgezien van het feit dat dit geen feiten of omstandigheden zijn als bedoeld in 3.2, heeft verzoeker zijn verzoek om herziening meer dan een jaar na de datum van de oorspronkelijke uitspraak van 17 augustus 2012 ingediend en moet worden geoordeeld dat dit verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend.

4.5.

Geheel ten overvloede merkt de Raad ter voorlichting van verzoeker op dat ingevolge de AOW, zoals die wet voor 1 januari 2013 luidde, de aanvangsleeftijd voor de pensioenopbouw 15 jaar was. Dit is niet anders als bij de toepassing van de zogenoemde overgangsvoordelen de fictieve verzekeringsjaren van voor 1957 voor de pensioenopbouw worden meegeteld.

Dat verzoeker al voor zijn 15e verjaardag heeft gewerkt en belastingplichtig was, doet aan het voorgaande niet af.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het verzoek om herziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van J.C. Borman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 juni 2016.

(getekend) M.M. van der Kade

(getekend) J.C. Borman

JvC