Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2142

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
16-06-2016
Zaaknummer
14/4840 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Pgb terecht geweigerd. Niet voldaan aan de bij de verstrekking van een eerder verleend pgb opgelegde verplichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4840 AWBZ

Datum uitspraak: 8 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

6 augustus 2014, 13/3530 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

CZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M. Holmes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2016. Appellant is vertegenwoordigd door mr. Holmes. Het Zorgkantoor is vertegenwoordigd door

mr. S.A.M. Clijsen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft een indicatie voor zorg op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).

1.2.

Het Zorgkantoor heeft in de besluiten van 8 april 2013 de verleningen van het persoonsgebonden budget (pgb) over 2012 en 2013 ingetrokken, omdat appellant niet heeft voldaan aan zijn verplichting om het pgb over die jaren te verantwoorden.

1.3.

Het Zorgkantoor heeft in een besluit van 5 juli 2013 naar aanleiding van een nieuwe indicatie van het Centrum Indicatiestelling Zorg aan appellant meegedeeld hem geen pgb meer toe te kennen. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt.

1.4.

Het Zorgkantoor heeft het bezwaar ongegrond verklaard in een besluit van 29 oktober 2013 (bestreden besluit). Het Zorgkantoor heeft zich, onder verwijzing naar artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder k, van de Regeling subsidies AWBZ (Rsa), op het standpunt gesteld dat het pgb moet worden geweigerd, omdat appellant zich niet heeft gehouden aan de bij de verstrekking van een eerder pgb opgelegde verplichtingen. Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe het volgende overwogen. In de besluiten van 8 april 2013 heeft het Zorgkantoor de verlening van het pgb over 2012 en 2013 ingetrokken omdat appellant niet aan zijn verantwoordingsverplichtingen heeft voldaan. Die besluiten staan in rechte vast, omdat appellant daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt. Appellant heeft dus niet voldaan aan de bij de verstrekking van een eerder verleend pgb opgelegde verplichtingen. Het Zorgkantoor was dan ook gehouden om op grond van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder k, van de Rsa de verlening van een pgb te weigeren. Er is bij de toepassing van die bepaling geen ruimte voor een belangenafweging.

3. Appellant heeft in hoger beroep gesteld, kort weergegeven, dat het Zorgkantoor wel ruimte heeft de belangen af te wegen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder k (tekst 2013) van de Rsa bepaalt dat het Zorgkantoor de verlening van een netto pgb weigert indien de verzekerde zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder pgb opgelegde verplichtingen.

4.2.

De rechtbank is op de hiervoor weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het Zorgkantoor terecht het pgb heeft geweigerd. De Raad onderschrijft deze overwegingen van de rechtbank en verenigt zich met het op grond daarvan door de rechtbank gegeven oordeel. Appellant heeft in hoger beroep rechtspraak aangehaald. Dat leidt niet tot een ander oordeel, omdat deze rechtspraak betrekking heeft op andersoortige besluiten dan wel op besluiten genomen op een moment dat artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder k, van de Rsa een ander toetsingskader kende.

4.3.

Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en D.S. de Vries en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2016.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) L.L. van den IJssel

MO