Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2141

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
16-06-2016
Zaaknummer
10/6518 AWBZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ten onrechte indicatie voor ondersteunende begeleiding geweigerd. De Raad is op grond van de door de medisch adviseurs van CIZ uitgebrachte adviezen van oordeel dat appellante was aangewezen op Ondersteunende begeleiding. Schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

10/6518 AWBZ

Datum uitspraak: 8 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van

29 oktober 2010, 09/5845 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

CIZ

De Staat der Nederlanden, ministerie van Veiligheid en Justitie (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L. Boon, advocaat, hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Boon. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door J.I. Kreijen,

mr. N. Benedictus en H. Siero. De Raad heeft het onderzoek ter zitting geschorst.

Partijen hebben vervolgens nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 20 april 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. N.D. Geraads, advocaat. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.E. Koedood.

Naar aanleiding van het verzoek om schadevergoeding van appellante wegens overschrijding van de redelijke termijn heeft de Raad de Staat mede als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 4 juli 2008 heeft CIZ appellante op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) een indicatie verleend voor Ondersteunende begeleiding, klasse 2, voor de periode van 4 juli 2008 tot 4 juli 2009.

1.2.

Bij besluit van 28 september 2008 heeft CIZ een indicatie verleend voor Zorgzwaartepakket (ZZP) VV09, klasse 7, voor de periode van 6 oktober 2008 tot

6 januari 2009.

1.3.

In verband met het verstrijken van laatstgenoemde indicatie heeft appellante op

24 november 2008 bij CIZ een nieuwe aanvraag ingediend. Bij besluit van 20 februari 2009 heeft CIZ een indicatie verleend voor ZZP VV09, klasse 7, voor de periode van 7 januari 2009 tot en met 19 februari 2009. Voor de periode van 20 februari 2009 tot en met 19 februari 2010 is appellante geïndiceerd voor Persoonlijke verzorging, klasse 7 en Verpleging, klasse 3.

1.4.

Bij besluit van 24 november 2009 (bestreden besluit) heeft CIZ het bezwaar tegen het besluit van 20 februari 2009 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank, voor zover van belang, overwogen dat CIZ appellante terecht niet in aanmerking heeft gebracht voor voortzetting van de functie Ondersteunende begeleiding met toepassing van het in het Besluit van 1 december 2008, houdende wijziging van het Besluit zorgaanspraken AWBZ en enige andere besluiten in verband met wijziging van AWBZ-aanspraken op zorg, Stb. 2008, 533, (Wijzigingsbesluit Bza) opgenomen overgangsrecht. Appellante heeft ook geen (medische) stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij op en na 20 februari 2009 was aangewezen op (Ondersteunende) begeleiding. Ter zitting heeft appellante meegedeeld dat zij intensieve ondersteunende psychologische behandeling en begeleiding nodig heeft en dat de kosten daarvan slechts ten dele worden vergoed in het kader van de Zorgverzekeringswet. Dat de zorgverzekeraar de zorg die de psycholoog aan appellante verleent niet volledig wenst te vergoeden kan er echter, gelet op het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van het Bza, niet toe leiden dat appellante voor de bekostiging hiervan een aanspraak kan ontlenen aan de AWBZ.

3.1.

Appellante heeft de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Kort gezegd stelt zij zich het standpunt dat zij met ingang van 20 februari 2009 recht had op Ondersteunende begeleiding dan wel Begeleiding. Zij wijst in dit verband op het overgangsrecht dat is opgenomen in het Wijzigingsbesluit Bza. CIZ heeft voorts ten onrechte niet beoordeeld of zij na beëindiging van het ZZP VV09 in aanmerking kwam voor Begeleiding. De begeleiding die zij van haar psycholoog heeft ontvangen, valt onder de reikwijdte van de functie Begeleiding. Deze begeleiding was immers gericht op het aanbrengen van structuur in haar leven, opdat zij de regie over haar eigen leven kan voeren. Ter zitting van de Raad van 20 april 2016 heeft appellante schadevergoeding gevorderd wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.2.

CIZ heeft naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van de Raad van 8 mei 2013 onderzoek verricht naar de vraag of er aanleiding is om voor de periode van 20 februari 2009 tot 1 januari 2010 een indicatie te verlenen voor Begeleiding. Op grond van het onderzoek heeft het CIZ zich op het standpunt gesteld dat daartoe geen aanleiding is, omdat appellante in die periode slechts lichte beperkingen op het gebied van het psychisch functioneren en de sociale redzaamheid had. Daarnaast was in die periode behandeling vanuit de Zorgverzekeringswet voor deze beperkingen aangewezen.

4. De Raad overweegt het volgende.

(Ondersteunende) begeleiding

4.1.

De periode in geding is gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zittingen beperkt tot de periode van 20 februari 2009 tot 1 januari 2010.

4.2.

Artikel 6, eerste lid, van het Bza bepaalde tot 1 januari 2009:

“Ondersteunende begeleiding omvat ondersteunende activiteiten in verband met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap of een psychosociaal probleem, gericht op bevordering of behoud van zelfredzaamheid of bevordering van de integratie van de verzekerde in de samenleving, te verlenen door een instelling.”

4.3.

Artikel 6, eerste lid, van het Bza bepaalde met ingang van 1 januari 2009:

“Begeleiding omvat door een instelling te verlenen activiteiten aan verzekerden met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap die matige of zware beperkingen hebben op het terrein van:

a. de sociale redzaamheid,

b. het bewegen en verplaatsen,

c. het psychisch functioneren,

d. het geheugen en de oriëntatie, of

e. die matig of zwaar probleemgedrag vertonen.”

4.4.

Artikel VI, eerste lid en tweede, van het Wijzigingsbesluit Bza luidde als volgt:

“1. De artikelen 4, 6, 7 en 8 van het Besluit zorgaanspraken AWBZ zoals deze luidden onmiddellijk voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit besluit blijven van toepassing op verzekerden die onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop dit besluit in werking treedt, daartoe een indicatiebesluit op grond van het Zorgindicatiebesluit hadden of die uiterlijk op dat tijdstip een indicatiebesluit hadden aangevraagd.

2. Het eerste lid geldt voor de geldigheidsduur van het daar bedoelde indicatiebesluit doch uiterlijk tot 1 januari 2010.”

4.5.

Nu de aanvraag die heeft geleid tot het besluit van 20 februari 2009 is ingediend voor

1 januari 2009 en de beoordelingsperiode loopt tot 1 januari 2010, is op grond van artikel VI, eerste en tweede lid, van het Wijzigingsbesluit Bza zoals dat luidde voor 1 januari 2009 van toepassing en dient beoordeeld te worden of appellante in de periode in geding aansprak had op een indicatie voor Ondersteunende begeleiding. Anders dan voor een indicatie voor Begeleiding op grond van het met ingang van 1 januari 2009 geldende artikel 6, eerste lid, van het Bza is voor een indicatie voor Ondersteunende begeleiding niet vereist dat sprake is van matige of zware beperkingen.

4.6.

De Raad is op grond van de door de medisch adviseurs van CIZ uitgebrachte adviezen van oordeel dat appellante in de periode in geding was aangewezen op Ondersteunende begeleiding. Zo heeft medisch adviseur E. Sen in het advies van 5 november 2014 geconcludeerd dat de vastgestelde psychiatrische diagnosen, PTSS met verwerkingsproblematiek en hechtingsproblematiek, medisch gezien zijn te objectiveren. Voorts heeft Sen het op basis van de door psycholoog Krijt verkregen informatie aannemelijk geacht dat sprake is van enige regieproblemen bij appellante. Het enkele standpunt van CIZ dat behandeling voor de psychische problematiek voorliggend is op AWBZ-zorg, is te algemeen en doet niet af aan de noodzaak van aanvullende Ondersteunende begeleiding.

4.7.

Gelet op het hiervoor overwogene komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen voor zover CIZ daarbij geen indicatie voor Ondersteunende begeleiding heeft gesteld. De Raad zal voorts zelf in de zaak voorzien en bepalen dat voor de periode van 20 februari 2009 tot 1 januari 2010 een indicatie wordt verleend voor Ondersteunende begeleiding, klasse 2. Deze indicatie sluit aan bij de eerdere onder 1.1 vermelde indicatie voor Ondersteunende begeleiding.

Schadevergoeding

5.1.

Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellante gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellante.

5.2.

De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (zie de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast is van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.

5.3.

Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door CIZ op 9 maart 2009 tot de datum van deze uitspraak uitgaande

1 juni 2016 zijn zeven jaar en bijna drie maanden verstreken. De Raad heeft noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellante aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. Dat betekent dat de toegestane behandelingsduur van vier jaar met drie jaar en bijna drie maanden is overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 3.500,-.

5.4.

Vanaf de ontvangst door CIZ van het bezwaarschrift tot aan de datum van het bestreden besluit zijn ruim acht maanden verstreken. De Raad zal CIZ veroordelen tot een schadevergoeding van € 500,-. Vanaf de ontvangst van het beroepschrift op

18 december 2009 tot aan de datum van deze uitspraak zijn zes jaar en ruim vijf maanden verstreken. Dit leidt tot een schadevergoeding van € 3.000,- ten laste van de Staat.

6. Er is aanleiding CIZ te veroordelen in de proceskosten van appellante in bezwaar, beroep en hoger beroep. Deze kosten worden vastgesteld op € 496,- in bezwaar, € 1.003,80 in beroep (€ 992,- voor kosten van rechtsbijstand en € 11,80 voor reiskosten) en € 1.794,74 in hoger beroep (€ 1.736,- voor kosten van rechtsbijstand en € 58,74 voor reiskosten), in totaal

€ 3.294,54.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 24 november 2009 gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 24 november 2009 voor zover CIZ daarbij geen indicatie voor Ondersteunende begeleiding heeft gesteld;

  • -

    voorziet zelf in de zaak door aan appellante over de periode van 20 februari 2009 tot

1 januari 2010 een indicatie te verlenen voor Ondersteunende begeleiding, klasse 2 en bepaalt dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 24 november 2009;

  • -

    veroordeelt CIZ tot vergoeding aan appellante van schade tot een bedrag van € 500,-;

  • -

    veroordeelt de Staat tot vergoeding aan appellante van schade tot een bedrag van € 3.000,-;

  • -

    veroordeelt CIZ in de proceskosten van appellante tot een bedrag van

€ 3.294,54;

- bepaalt dat CIZ aan appellante het betaalde griffierecht van € 152,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en L.M. Tobé en S.E. Zijlstra als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2016.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) G.J. van Gendt

MO