Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2136

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
15-06-2016
Zaaknummer
14/1428 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incidenteel hoger beroep. Omvang geding. Incidenteel hoger beroep is niet beperkt tot die onderdelen van de rechtbankuitspraak waar tegen het (principaal) hoger beroep is gericht. Met dit oordeel sluit de Raad zich aan bij de rechtspraak van de HR en de ABRvS.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:110
Algemene wet bestuursrecht 8:112
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0628
USZ 2016/279
ABKort 2016/240
NJB 2016/1305
RSV 2016/130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/1428 WIA, 14/2445 WIA

Datum uitspraak: 8 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

3 februari 2014, 12/3993 en 12/3994 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Betrokkene] te [vestegingsplaats] (betrokkene)

[werkneemster] te [woonplaats] (werkneemster)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. J. Jong, advocaat, een verweerschrift ingediend en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.

Appellant heeft in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep een verweerschrift ingediend en met een arbeidskundig rapport gereageerd op het verweerschrift van betrokkene.

L.M. Taal heeft als medegemachtigde van betrokkene een aanvullend verweerschrift ingediend en een reactie ingezonden op het verweerschrift van appellant.

Werkneemster heeft met een schriftelijke uiteenzetting op de stukken van betrokkene gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Nieuwburg. Voor betrokkene zijn mr. Jong en Taal verschenen. Werkneemster is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Werkneemster is in dienst van betrokkene werkzaam geweest als [naam functie]. Zij heeft zich op 21 april 2010 bij betrokkene ziek gemeld. Op 18 oktober 2011 heeft werkneemster appellant verzocht haar in aanmerking te brengen voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2.

Bij besluit van 18 november 2011 heeft appellant bepaald dat betrokkene het loon van werkneemster moet doorbetalen tot 17 januari 2013 omdat betrokkene niet heeft voldaan aan haar re-integratieverplichtingen. Deze zogenoemde loonsanctie is gebaseerd op een rapport van een arbeidsdeskundige van 14 november 2011, waarin is uiteengezet dat betrokkene te laat een zogenoemd tweede spoortraject heeft ingezet en tussen maart 2011 en augustus 2011 niets aan de re-integratie van werkneemster heeft gedaan.

1.3.

Betrokkene heeft tweemaal verzocht om bekorting van de loonsanctie. Bij besluiten van

2 februari 2012 en 14 maart 2012 heeft appellant op de verzoeken van betrokkene afwijzend beslist. Volgens appellant had betrokkene de tekortkomingen in haar

re-integratieverplichtingen nog niet hersteld.

1.4.

Betrokkene heeft tegen de besluiten van 18 november 2011, 2 februari 2012 en

14 maart 2012 bezwaar gemaakt.

1.4.1.

Bij een eerste besluit van 13 juli 2012 (bestreden besluit 1) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 18 november 2011 gegrond verklaard. Appellant heeft, in navolging van betrokkene, 21 april 2010 aangemerkt als eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de ingangsdatum van de loonsanctie gewijzigd in 18 april 2012. Aan dit besluit liggen rapporten ten grondslag van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 11 juni 2012 en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 28 juni 2012.

1.4.2.

Bij een tweede besluit van 13 juli 2012 (bestreden besluit 2) heeft appellant de bezwaren tegen de besluiten van 2 februari 2012 en 14 maart 2012 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 juli 2012 ten grondslag.

2.1.

Betrokkene heeft tegen de bestreden besluiten 1 en 2 beroep ingesteld.

2.2.

Bij tussenuitspraak van 19 juli 2013 heeft de rechtbank geoordeeld dat de stukken voldoende steun bieden voor de conclusie van appellant dat betrokkene in de wachttijd onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft gedaan. Betrokkene had op een veel eerder moment moeten starten met het tweede spoor. De stellingen van betrokkene dat de vertraging van het traject is te billijken door een terugval van werkneemster en besprekingen over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en dat zij heeft mogen afgaan op de – mogelijk tekortschietende – adviezen van haar bedrijfsarts, heeft de rechtbank verworpen. De rechtbank is betrokkene ook niet gevolgd in haar stelling dat zij met bestreden besluit 1 in een nadeliger positie is komen te verkeren. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat de opgelegde loonsanctie maximaal 52 weken is gebleven. Over de bij bestreden besluit 2 gehandhaafde weigeringen van bekorting van de loonsanctie heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant niet kan volstaan met de vaststelling dat nog steeds geen bevredigend resultaat is bereikt en dat appellant nog inhoudelijk zal moeten toetsen of de re-integratie-inspanningen van betrokkene in het sinds september 2011 ingezette tweede spoor al dan niet voldoende zijn geweest. Om die reden heeft de rechtbank appellant in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen.

2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant met het ingezonden rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 29 juli 2013 inzichtelijk heeft gemaakt dat er ten tijde van het eerste bekortingsverzoek van 29 december 2011 nog geen informatie over het verloop van het tweede spoor beschikbaar was en daarom een grond voor bekorting van de loonsanctie ontbrak. Wat betreft het tweede bekortingsverzoek van

20 februari 2012 heeft de rechtbank overwogen dat met het arbeidskundig rapport van 29 juli 2013 slechts wordt herhaald dat van het ingezette tweede spoortraject van negen maanden pas vijf maanden zijn verstreken en dat betrokkene het traject moet afronden. Daarmee heeft appellant naar het oordeel van de rechtbank het gebrek in bestreden besluit 2 niet hersteld. De rechtbank heeft – met bepalingen over proceskosten en griffierecht – het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond verklaard, het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaard, bestreden besluit 2 vernietigd voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 14 maart 2012 ongegrond is verklaard en appellant opgedragen opnieuw op dit bezwaar te beslissen.

3.1.

Appellant is in hoger beroep opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank over het tweede bekortingsverzoek. Volgens appellant mocht hij op grond van de zogenoemde RIV Werkwijzer van betrokkene verwachten dat een tweede spoortraject van minimaal zes maanden was afgerond en een eindrapport van het traject beschikbaar was voordat tot bekorting van de loonsanctie zou worden besloten. Appellant heeft zijn standpunt gehandhaafd dat op 20 februari 2012 nog geen sprake was van een bevredigend resultaat.

3.2.

Betrokkene heeft zich verweerd, onder meer met verwijzing naar de GGZ-behandeling van werkneemster, de langdurige re-integratie in het eerste spoor en het ontbreken van de verplichting om een tweede spoor met een plaatsing af te ronden. Betrokkene heeft erop gewezen dat appellant de zogenoemde RIV-toets te vroeg heeft uitgevoerd.

3.3.

Voor het geval het hoger beroep van appellant slaagt, heeft betrokkene zich in het incidenteel hoger beroep gekeerd tegen oordeel van de rechtbank over de oplegging van de loonsanctie en de verlenging van de loonsanctie bij bestreden besluit 1. Zij heeft onder meer gesteld dat betrokkene met bestreden besluit 1 heeft gehandeld in strijd met artikel 25, elfde lid, van de Wet WIA en in strijd met het verbod van reformatio in peius.

3.4.

Appellant heeft zich in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep op het standpunt gesteld dat betrokkene al voor het einde van de wachttijd met de arbeidskundige beoordeling bekend was en dat van reformatio in peius geen sprake is omdat de maximale duur van de loonsanctie met bestreden besluit 1 niet wijzigde. Appellant heeft met zijn verweerschrift in beeld gebracht dat, nadat betrokkene een eindrapport van het tweede spoortraject had ingezonden, een vierde bekortingsverzoek is gehonoreerd en de loonsanctie per 23 februari 2013 is geëindigd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

Omvang van geding

4.1.1.

Ter bepaling van de omvang van het geding wordt ambtshalve het volgende overwogen. Op grond van artikel 8:110, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien hoger beroep is ingesteld, degene die ook hoger beroep had kunnen instellen, incidenteel hoger beroep instellen. In artikel 8:112, eerste lid, van de Awb is bepaald dat incidenteel hoger beroep kan worden ingesteld, zoals betrokkene heeft gedaan, onder de voorwaarde dat het hoger beroep gegrond is. De rechtbank heeft bij één uitspraak een oordeel gegeven over twee besluiten. Dat appellant met zijn hogerberoepschrift de omvang van het geding in hoger beroep heeft beperkt tot het oordeel dat de rechtbank heeft gegeven over bestreden besluit 2, staat niet eraan in de weg dat betrokkene in het ingestelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep het oordeel van de rechtbank over bestreden besluit 1 ter discussie stelt. Uit de tekst van artikel 8:110, eerste lid, van de Awb volgt geen beperking van de omvang van het geding in een incidenteel hoger beroep tot het onderdeel van een aangevallen uitspraak dat in het hoger beroep is aangevochten. Voor een dergelijke beperking is ook geen aanwijzing te vinden in de wetsgeschiedenis van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht, waarbij met ingang van 1 juli 2013 het incidenteel hoger beroep in de Awb is opgenomen. In de memorie van toelichting zijn als argumenten voor de invoering van het incidenteel hoger beroep genoemd: een versterking van de processuele positie van de verwerende partij, het verbinden van risico aan het instellen van hoger beroep en het bevorderen van een weloverwogen gebruik van het rechtsmiddel van hoger beroep na het afwegen van kansen en risico’s (Kamerstukken II 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 24). Deze argumenten bieden veeleer steun voor de opvatting dat in incidenteel hoger beroep door de rechtbank bij dezelfde uitspraak gegeven oordelen, over niet in het hoger beroep ter discussie gestelde besluiten, kunnen worden aangevochten.

4.1.2.

In zijn met toepassing van het met artikel 8:110 van de Awb vergelijkbare en per 1 juli 2013 vervallen artikel 27m, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen gewezen arrest van 4 juni 2010 (ECLI:NL:HR:2010:BL7972) heeft de Hoge Raad overwogen dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat de vrijheid die de indiener van het hoger beroep heeft om zich te richten tegen de beslissing van de rechtbank als geheel of tegen haar beslissing over één of enkele van de besluiten van het bestuursorgaan ook toekomt aan de indiener van het incidenteel hoger beroep. Deze rechtspraak is herhaald in het arrest van de Hoge Raad van 10 april 2015 (ECLI:NL:HR:2015:913). In zijn uitspraak van 3 december 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:4394) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State voor de ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep eveneens bepalend geacht dat het is gericht tegen de aangevallen uitspraak en voldoet aan de vereisten van artikel 8:110, eerste lid, van de Awb. De Raad sluit zich bij deze rechtspraak aan. Dit betekent dat bij zijn keuze welke beslissingen van de rechtbank hij in het incidenteel hoger beroep betrekt, de indiener van dit beroep zich niet hoeft te beperken tot de beslissingen over de besluiten waarop het hoger beroep betrekking heeft.

4.1.3.

Voor dit geding betekent het voorgaande dat er geen beletsel is om te oordelen over wat betrokkene tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, indien de Raad tot het oordeel komt dat het hoger beroep van appellant slaagt.

Doel van partijen

4.2.

Appellant wenst met het hoger beroep te bereiken dat zijn besluitvorming over het tweede bekortingsverzoek voor juist wordt gehouden en de door de rechtbank gegeven opdracht om dat besluit te heroverwegen vervalt. Ter zitting is duidelijk geworden dat betrokkene ervan uitgaat dat appellant, indien uitvoering wordt gegeven aan de aangevallen uitspraak, niet anders kan doen dan het tweede bekortingsverzoek honoreren. Dit zou volgens betrokkene ertoe leiden dat zij werkneemster na afloop van de termijn van 104 weken van artikel 7:629, eerste lid, van het Burgerlijke Wetboek (BW) geen loon meer hoeft te betalen omdat met toepassing van artikel 25, dertiende lid, van de Wet WIA de bekorting niet later plaatsvindt dan de afloop van genoemde termijn van 104 weken. Indien het hoger beroep van appellant slaagt, heeft betrokkene belang bij beoordeling van het besluit tot oplegging van de loonsanctie. Zij wenst dan met het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep eenzelfde resultaat te bereiken, namelijk dat zij na ommekomst van 104 weken vanaf de eerste ziektedag van werkneemster, dus vanaf 19 april 2012, geen betalingsverplichting jegens werkneemster meer heeft op grond van artikel 7:629 van het BW.

Vooraf

4.3.1.

Om de leesbaarheid van deze uitspraak te bevorderen ziet de Raad aanleiding om de besluitvorming van appellant in chronologische volgorde te bespreken en als eerste, hoewel de beroepsgrond deel uitmaakt van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep, een oordeel te geven over de oplegging van de loonsanctie.

4.3.2.

Artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, voor zover hier van belang, luidt als volgt:

“Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond (…) onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het Uwv het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (…), opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde (….) re-integratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken”.

4.3.3.

Op grond van artikel 65 van de Wet WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt appellant of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de

re-integratie-inspanningen, die zijn verricht.

4.3.4.

Artikel 7:658a, eerste lid, van het BW luidde ten tijde hier van belang als volgt:

“De werkgever bevordert ten aanzien van de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de werkgever geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de werkgever, gedurende het tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht op loon heeft op grond van artikel 629, artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever”.

4.3.5.

In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224, Beleidsregels) heeft appellant een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werknemer in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Blijkens de Beleidsregels staat bij de beoordeling het bereikte resultaat voorop. Als een bevredigend resultaat is bereikt, is volgens het beoordelingskader voldaan aan de wettelijke eis dat werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Van een bevredigend resultaat is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Indien appellant het resultaat niet bevredigend acht, zal volgens de Beleidsregels bij de beoordeling worden ingezoomd op wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk ondernomen is. Indien er geen bevredigend re-integratieresultaat bereikt is, maar de inspanningen van de werkgever worden op basis van het beoordelingskader wel voldoende geacht, dan wordt geen loonsanctie opgelegd. Zoals de Raad eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2009:BK1570) heeft de uitwerking en invulling van de artikelen 25 en 65 van de Wet WIA in de Beleidsregels steeds overeenkomstig die artikelen tot uitgangspunt dat ter beoordeling is de vraag of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht.

4.3.6.

De rechtbank wordt gevolgd in haar in de tussenuitspraak neergelegde oordeel dat op grond van de gegevens die bekend zijn geworden over de door betrokkene tot augustus 2011 geleverde inspanningen om de re-integratie van werkneemster in passende arbeid bij een andere werkgever te bevorderen, door appellant terecht is beslist dat betrokkene te afwachtend is geweest en tijd verloren heeft laten gaan. Wat betrokkene in haar reacties op het verweerschrift van appellant heeft aangevoerd, is een herhaling van de stellingen in beroep en geeft geen aanleiding voor een ander oordeel dan de rechtbank heeft gegeven. Er zijn, zoals de rechtbank al heeft vastgesteld, geen redenen aan te wijzen die voor betrokkene een deugdelijke grond waren om, nadat in overleg met werkneemster de keuze op inschakeling van re-integratiebedrijf EmPower was gevallen, te wachten met de start van daadwerkelijke activiteiten tot in september 2012. Appellant heeft op goede gronden geconcludeerd dat betrokkene in haar re-integratieverplichtingen is tekortgeschoten en terecht op die grond aan betrokkene een loonsanctie opgelegd.

Het hoger beroep

4.4.1.

Artikel 25, twaalfde lid, van de Wet WIA luidt als volgt:

“Indien de werkgever na toepassing van het negende lid van mening is dat hij zijn tekortkoming ten aanzien van de in het negende lid bedoelde verplichtingen of reïntegratie-inspanningen heeft hij hersteld, meldt hij dit aan het UWV, waarbij hij aantoont dat hij de tekortkoming heeft hersteld”.

4.4.2.

Appellant heeft ter onderbouwing van zijn betoog dat er geen reden was om op het tweede bekortingsverzoek toewijzend te beslissen gewezen op zijn Werkwijzer voor arbeidsdeskundigen en verzekeringsartsen van UWV “RIV-toets in de praktijk” (gepubliceerd op uwv.nl). Daaruit blijkt dat appellant bij de beoordeling van een bekortingsverzoek tot uitgangspunt neemt dat, in het geval de werkgever met het opstarten van een tweede spoortraject te lang heeft gewacht zonder medische reden, voor het honoreren van het verzoek de afronding van het traject wordt verlangd. Afronden van een traject wordt in de werkwijzer omschreven als:

“het ontvangen van een eindrapportage na de betaalde voorgestelde redelijke trajectmaanden (een reële termijn is minimaal 6 maanden). Uit de rapportage moet blijken waarom plaatsing wel of niet is gelukt, of er tijdig en adequaat acties zijn ondernomen, de frequentie van het contact, en wat er eventueel nog aan vervolgtraject nodig is om alsnog tot plaatsing te komen”.

4.4.3.

Met het aan de oplegging van de loonsanctie ten grondslag liggende arbeidskundige rapport van 14 november 2011 is aan betrokkene kenbaar gemaakt hoe de door appellant geconstateerde tekortkoming in de re-integratie van werkneemster kan worden hersteld. De vraag “hoe te repareren” is in dat rapport beantwoord met “Doorgaan met re-integratie. Vinger aan de pols houden wegens opgelopen achterstand en het risico van nieuwe conflicten”. Verder is vermeld dat als bevredigend re-integratie resultaat wordt gezien als een adequaat re-integratietraject naar ander werk bij een andere werkgever is afgerond. In het rapport is ook vastgelegd dat het re-integratietraject bij EmPower op 14 september 2011 is gestart. Op basis van een bijgestelde offerte van 7 september 2011 was werkneemster gestart met een traject met een duur van negen maanden. Ten tijde van het tweede bekortingsverzoek waren hiervan nog geen vijf maanden verstreken.

4.4.4.

Appellant heeft ter zitting toegelicht dat de eis van het ontvangen van een eindrapport van een door de werkgever ingeschakeld re-integratiebedrijf wordt gesteld, omdat de inzet en kwaliteit van de activiteiten in het tweede spoor slechts aan de hand van een dergelijke rapport toetsbaar is. Op grond van artikel 25, twaalfde lid, van de Wet WIA verlangt appellant terecht een toetsbare onderbouwing van een bekortingsverzoek. Naast het gegeven dat het

re-integratietraject bij lange na niet was afgerond toen het bekortingsverzoek werd ingediend is niet gebleken dat betrokkene haar bekortingsverzoek van enig rapport van EmPower met een beschrijving van tot dan toe ondernomen acties en behaalde resultaten vergezeld heeft doen gaan. Gelet hierop kan in het midden blijven of reeds na een tussenrapport in een

re-integratietraject bekorting van een loonsanctie denkbaar is.

4.5.

Uit 4.4.1 tot en met 4.4.4 volgt dat het hoger beroep slaagt. Appellant heeft met bestreden besluit 2 terecht de afwijzende beslissing op het tweede bekortingsverzoek van betrokkene gehandhaafd. Dat betekent dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven voor zover de rechtbank daarbij het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond heeft verklaard en aan die gegrondverklaring de in de aangevallen uitspraak beschreven gevolgen heeft verbonden.

Het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep

4.6.1.

Dat het hoger beroep van appellant slaagt, betekent dat is voldaan aan de voorwaarde die betrokkene aan haar incidenteel beroep had verbonden en de door haar geformuleerde beroepsgronden in het incidenteel hoger beroep bespreking behoeven.

4.6.2.

Op grond van artikel 25, elfde lid, van de Wet WIA kan een beschikking tot oplegging van een loonsanctie niet meer gegeven worden na afloop van de wachttijd bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA. De stelling van betrokkene dat de beoordeling van de

re-integratie-inspanningen (de zogenoemde RIV-toets), waarvan de arbeidsdeskundige verslag heeft gedaan in het rapport van 14 november 2011, te vroeg heeft plaatsgevonden is juist. Appellant heeft aanvankelijk in zijn gegevenssysteem vastgelegd dat werkneemster op 21 januari 2010 arbeidsongeschikt was geworden en later is gebleken dat van een later intreden van de arbeidsongeschiktheid van werkneemster moest worden uitgegaan. Aan betrokkene moet worden toegegeven dat bij een beoordeling van haar

re-integratie-inspanningen in februari 2012 in plaats van in november 2011 sprake zou zijn geweest van een langer lopend traject bij EmPower. Bij de beoordeling in bezwaar heeft appellant – mede naar aanleiding van een daarop gerichte bezwaargrond van betrokkene – de foutieve datum hersteld. De heroverweging van de opgelegde loonsanctie heeft verder niet tot een ander onderdeel over de re-integratieinspanningen geleid, zodat niet kan worden gezegd dat aan betrokkene bij bestreden besluit 1 (opnieuw) een loonsanctie is opgelegd na afloop van de daarvoor in artikel 25, elfde lid, van de Wet WIA genoemde termijn. Het betoog van appellant dat besluit 1 alleen al zou moeten worden vernietigd omdat appellant te laat tot oplegging van een loonsanctie heeft besloten, slaagt niet.

4.6.3.

Voor het oordeel van de Raad over de beroepsgrond dat appellant aan betrokkene ten onrechte een loonsanctie heeft opgelegd, wordt verwezen naar 4.3.1 tot en met 4.3.6. Deze beroepsgrond is door betrokkene tevergeefs voorgedragen.

4.6.4.

Op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het BW rust op de werkgever de verplichting om aan een werknemer die wegens ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, gedurende 104 weken loon door te betalen. Een loonsanctiebesluit op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA heeft tot gevolg dat op grond van artikel 7:629, elfde lid, aanhef en onder b, van het BW het tijdvak van 104 weken wordt verlengd met de duur van een door appellant vastgesteld verlengingstijdvak. Als de werkgever als gevolg van zijn bezwaar tegen een loonsanctiebesluit wordt geconfronteerd met een gewijzigde vaststelling van het verlengingstijdvak, kan sprake zijn van reformatio in peius.

4.6.5.

Betrokkene had op grond van artikel 7:629, eerste lid, van het BW jegens werkneemster een loondoorbetalingsverplichting van 21 april 2010 tot 19 april 2012. Als gevolg van het besluit van 18 november 2011 werd haar loondoorbetalingsverplichting verlengd tot

17 januari 2013. Betrokkene heeft terecht gesteld dat als gevolg van haar bezwaar bij appellant in beeld is gekomen dat bij het besluit van 18 november 2011 was uitgegaan van een onjuiste eerste arbeidsongeschiktheidsdag. Uit het dossier blijkt dat betrokkene en werkneemster geen geschil hadden over de eerste arbeidsongeschiktheidsdag, te weten

21 april 2010. Deze datum is in een veelheid aan stukken vermeld. Alleen in de zogenoemde 42e-weeks melding op grond van artikel 38, eerste lid, van de Ziektewet, neergelegd in een brief van de arbodienst van betrokkene aan appellant van 16 februari 2011, is als eerste ziektedag vermeld 21 januari 2010. Deze voor rekening van betrokkene komende fout heeft ertoe geleid dat appellant aanvankelijk een verkeerde datum voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid van werkneemster heeft gehanteerd. Er is sprake geweest van een kennelijke misslag, die voor betrokkene – bekend met haar verplichting op grond van artikel 7:629 van het BW en met de loonsanctieduur van in beginsel 52 weken – kenbaar is geweest. De zich hier voordoende correctie van een dergelijke kenbare misslag, nadat betrokkene in bezwaar om wijziging van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag had gevraagd, leidt niet tot schending van het verbod van reformatio in peius.

4.6.6.

Uit 4.6.1 tot en met 4.6.5 volgt dat het incidenteel hoger beroep niet slaagt. De rechtbank heeft een juist oordeel gegeven over bestreden besluit 1. Voor zover betrokkene de aangevallen uitspraak ter discussie heeft gesteld, zal deze worden bevestigd.

4.7.

Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

in het hoger beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit van 13 juli 2012 gegrond is verklaard en dit besluit is vernietigd voor zover daarbij het bezwaar tegen het besluit van 14 maart 2012 ongegrond is verklaard;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 13 juli 2012 in zoverre alsnog ongegrond;

in het incidenteel hoger beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.T de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2016.

(getekend) M. Greebe

(getekend) N. van Rooijen

MO