Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2134

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
16-06-2016
Zaaknummer
14/3643 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dagloon WW-uitkering. Nu appellant niet heeft aangetoond dat hij voor het einde van zijn dienstverband en in de referteperiode aanspraak had op uitbetaling van niet genoten vakantiedagen, is geen sprake van vorderbaar loon in de zin van artikel 4, tweede lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0623
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/3643 WW

Datum uitspraak: 8 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

15 mei 2014, 14/62 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.B.Th. Koekkoek, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2016, waar namens appellant

mr. Koekkoek is verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door

mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest bij [naam werkgeefster] (werkgeefster). Bij een vaststellingsovereenkomst van 27 juni 2013 is bepaald dat het dienstverband van appellant per 1 september 2013 wordt beëindigd. In augustus 2013 heeft werkgeefster appellant € 809,22 aan uitbetaalde niet genoten vakantiedagen betaald.

1.2.

Bij besluit van 19 augustus 2013 heeft het Uwv appellant met ingang van 2 september 2013 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW), berekend naar een dagloon van € 164,52. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 28 november 2013 (bestreden besluit). Daaraan heeft het Uwv het standpunt ten grondslag gelegd dat de in augustus 2013 uitbetaalde niet genoten vakantiedagen ten bedrage van € 809,22 buiten beschouwing worden gelaten bij de vaststelling van het dagloon, aangezien appellant niet heeft aangetoond dat uitbetaling van niet genoten vakantiedagen al vorderbaar was in het refertejaar, dat liep van 1 augustus 2012 tot en met 31 juli 2013.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant niet heeft aangetoond dat de betaling van niet opgenomen vakantiedagen al tijdens de referteperiode vorderbaar was. Artikel 7:641, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft een werknemer die bij het einde van de arbeidsovereenkomst nog aanspraak op vakantie heeft, recht op een uitkering in geld. Op grond van deze bepaling ontstaat het recht op uitbetaling van vakantiedagen daarom eerst bij het einde van het dienstverband, zodat de nabetaalde vakantiedagen niet op basis van deze bepaling reeds vorderbaar waren tijdens de referteperiode. De feitelijke uitbetaling in augustus 2013 valt niet in de referteperiode en niet duidelijk is geworden op welke grondslag deze betaling is verricht, zodat hieruit niet kan worden opgemaakt dat de vergoeding van vakantiedagen al in de referteperiode vorderbaar was.

3.1.

Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak. Appellant is van mening dat al bij het tekenen van de vaststellingsovereenkomst op 27 juni 2013 bekend was hoeveel vakantiedagen nog vergoed moesten worden. Vanaf dat moment kan hij betaling van het bedrag vorderen. Het bepaalbaar zijn van deze vergoeding maakt volgens appellant dat de aanspraak als vorderbaar dient te worden aangemerkt. Daarnaast was de uitbetaling van niet genoten vakantiedagen volgens appellant niet inbaar omdat betaling op basis van de vaststellingsovereenkomst uiterlijk een maand na het einde van de overeenkomst kon plaatsvinden. Dat is iets anders dan vorderbaar, aldus appellant.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is alleen of het bedrag van € 809,22 in de referteperiode vorderbaar en tevens niet inbaar was, zoals bedoeld in artikel 4, tweede lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen.

4.2.

Voor het wettelijk kader wordt verwezen naar de overwegingen 4.1 tot en met 4.2 van de aangevallen uitspraak.

4.3.

Artikel 20b, zesde lid, van bouwnijverheid cao zoals die luidde ten tijde van belang als volgt:

“ Indien bij de beëindiging van een dienstverband niet opgenomen, door te betalen vakantiedagen resteren, zal de werkgever die dagen uitbetalen, of de werknemer de gelegenheid bieden die dagen alsnog op te nemen vóór beëindiging van het dienstverband.”

4.4.

Het oordeel van de rechtbank wordt volledig onderschreven. In aanvulling op het oordeel van de rechtbank waaraan het bepaalde in artikel 7:641, eerste lid, van het BW, ten grondslag is gelegd, wordt overwogen dat artikel 20b, zesde lid, van de cao, geen aanleiding geeft om anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.

4.5.

Ook uit deze cao-bepaling volgt niet dat appellant voorafgaande aan het einde van zijn dienstverband en gedurende de referteperiode, recht had op uitbetaling van niet genoten vakantiedagen. Nu appellant niet heeft aangetoond dat hij voor het einde van zijn dienstverband en in de referteperiode aanspraak had op uitbetaling van niet genoten vakantiedagen, is geen sprake van vorderbaar loon in de zin van artikel 4, tweede lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen. Op basis van de vaststellingsovereenkomst bestaat, zoals appellant zelf heeft gesteld, evenmin recht op onmiddellijke uitbetaling van niet genoten vakantiedagen, aangezien daarin is bepaald dat uiterlijk een maand na einde dienstverband betaling kan plaatsvinden. Of de vergoeding van niet genoten vakantiedagen tevens niet-inbaar was als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen, kan in het midden worden gelaten aangezien geen sprake was van vorderbaar loon.

4.6.

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en E. Dijt en F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2016.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) M.S.E.S.Umans

UM