Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2132

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
15-1510 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering. Geen reden te twijfelen aan de juistheid van de inschatting van de verzekeringsartsen van de medische belastbaarheid van appellante. Beperkingen juist vastgelegd in de FML. De aan de schatting ten grondslag gelegde functies zijn in medisch opzicht passend voor appellante.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0627
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1510 WIA

Datum uitspraak: 1 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

20 januari 2015, 14/3039 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft B.M.J. Boderie hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door Boderie. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.J.M.H. Lagerwaard.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als chauffeur voor gemiddeld 42,02 uur per week. Na een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 16 juni 2014 vastgesteld dat voor appellante met ingang van 23 juli 2014 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij op die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.2.

Bij besluit van 27 augustus 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 juni 2014 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd een rapport van 26 augustus 2014 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft zij geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze is verricht en dat de beperkingen voor het verrichten van arbeid niet onjuist zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst van 26 mei 2014 (FML). De verzekeringsartsen hebben de door appellante overgelegde informatie van de huisarts en de behandelend (GZ-)psychologen betrokken bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Appellante heeft niet aan de hand van objectief medische stukken onderbouwd dat haar psychische beperkingen onvoldoende zijn onderzocht, dat die beperkingen niet juist zijn vastgelegd in de FML en dat zij de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet kan verrichten. De omstandigheid dat voor de meegewogen klachten van appellante inmiddels een diagnose zou zijn gesteld, heeft niet tot gevolg dat haar beperkingen in de FML onjuist zijn vastgelegd.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep, samengevat, staande gehouden dat het Uwv haar mate van arbeidsongeschiktheid te laag heeft vastgesteld. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is verricht. Het Uwv heeft niet gemotiveerd hoe de FML tot stand is gekomen. De verzekeringsgeneeskundige protocollen zijn niet nageleefd en er is geen medische informatie opgevraagd door de verzekeringsartsen. Bij het opstellen van de FML is te weinig rekening gehouden met de beperkingen die appellante ondervindt als gevolg van de bij haar vastgestelde diagnose ‘borderline persoonlijkheidsstoornis’. De verzekeringsartsen hebben niet onderbouwd waarom in rubriek 2 onder item 6 en 7 van de FML geen beperkingen zijn vastgelegd. De beoordeling door de verzekeringsartsen is niet toetsbaar, reproduceerbaar en consistent. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante gewezen op de beschikbare verzekeringsgeneeskundige rapporten, de informatie van de behandelend (GZ-)psychologen en het feit dat onder item 8 van de FML wel een beperking is vastgelegd. Appellante heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Er is geen reden voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek naar de beperkingen van appellante onzorgvuldig of onjuist is verricht of dat de beperkingen niet juist zijn vastgelegd in de FML. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.2.1.

De verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) hebben het dossier bestudeerd. De verzekeringsarts heeft appellante medisch onderzocht en heeft de door hem opgevraagde en verkregen informatie van 20 mei 2014 van behandelend GZ-psycholoog M. Goldsteen kenbaar betrokken bij zijn onderzoek. Daarvan uitgaande heeft hij in de rapporten van

1 mei 2014 en 26 mei 2014 inzichtelijk gemotiveerd dat de beperkingen die in de FML zijn vastgelegd, terug te voeren zijn op de psychische klachten van appellante. Gelet hierop houdt de stelling van appellante dat de verzekeringsarts niet dan wel onvoldoende heeft gemotiveerd hoe de FML tot stand is gekomen, geen stand.

4.2.2.

De stelling van appellante dat de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) het verzekeringsgeneeskundig protocol ‘borderline persoonlijkheidsstoornis-chronische nierschade’ niet hebben nageleefd, is evenmin toereikend voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig is verricht, nu appellante niet nader heeft geconcretiseerd op welke onderdelen het protocol niet is nageleefd. Gewezen wordt op vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:133), waarin is overwogen dat protocollen zijn bedoeld als een hulpmiddel voor de verzekeringsgeneeskundige beoordeling. Een verzekeringsarts is niet gehouden elk punt van een protocol te benoemen in zijn rapporten.

4.2.3.

De beroepsgrond dat het niet opvragen van informatie van de behandelend sector leidt tot onzorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek, baat appellante evenmin. Uit de in hoger beroep beschikbare medische gegevens blijkt namelijk niet dat de behandelaars van appellante een van de verzekeringsartsen beredeneerd afwijkend oordeel hebben over de beperkingen van appellante.

4.2.4.

Ten aanzien van de beroepsgrond dat bij het opstellen van de FML te weinig rekening is gehouden met de beperkingen die appellante ondervindt als gevolg van de bij haar vastgestelde diagnose ‘borderline persoonlijkheidsstoornis’ wordt overwogen dat, gezien de omschrijving van het begrip arbeidsongeschiktheid in artikel 4, 5 en 6 van de Wet WIA, het volgens vaste rechtspraak niet van doorslaggevende betekenis is of er al of niet een bepaalde diagnose is gesteld (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:4778). Uit een diagnose is op zichzelf niet af te leiden dat en in welke mate er sprake is van medisch objectiveerbare beperkingen voor het verrichten van arbeid als gevolg van een ziekte of gebrek. Aan de hand van de gegevens in het concrete geval moet steeds worden beoordeeld of dat het geval is. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 26 augustus 2014 op inzichtelijke wijze zijn bevindingen vastgelegd en de door de verzekeringsarts opgestelde FML onderschreven. In de rapporten van 20 november 2014, 17 december 2014 en 24 december 2014, gelezen in onderlinge samenhang met het rapport van 26 mei 2014, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep overwogen dat behandelend GZ-psycholoog Y.J.M. Lansink in haar brief van 10 juli 2014 zonder aanvullende klinische gegevens in de DSM-IV classificatie niet meer spreekt van persoonlijkheidstrekken maar van persoonlijkheidsstoornissen. In dezelfde brief rapporteert die psycholoog dat is gestart met een schematherapie gericht op onderliggende persoonlijkheidskenmerken. Uit de brief van

2 december 2014 van behandelend GZ-psycholoog Lansink heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep afgeleid dat appellante 17 behandelsessies heeft gevolgd en dat er sprake is van geleidelijke verbetering. Appellante heeft een beter inzicht in haar klachten en onderliggende problematiek. Haar acceptatie daarvan is eveneens verbeterd. Over de brief van 9 juni 2015 van behandelend GZ-psycholoog Lansink heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 14 april 2016 gesteld dat die brief klinisch geen feiten bevat die een ander licht werpen op de gezondheidstoestand van appellante op de datum in geding, 23 juli 2014. Ook over de overige informatie van de behandelend (GZ-)psychologen heeft hij afdoende gemotiveerd waarom hij daarin geen aanleiding heeft gezien de FML aan te passen. De Raad ziet geen aanleiding de naar behoren gemotiveerde beschouwingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor onjuist te houden.

4.2.5.

Het betoog van appellante dat het Uwv zichzelf tegenspreekt door onder item 2.6 en 2.7 van de FML geen beperking op te nemen en onder item 2.8 wel, leidt evenmin tot het oordeel dat in de FML meer beperkingen moeten worden opgenomen. Niet valt in te zien dat een beperking onder item 2.8 impliceert dat er ook beperkingen moeten worden vastgelegd onder item 2.6 en 2.7.

4.3.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.2 tot en met 4.2.5 wordt het oordeel van de rechtbank, dat appellante niet aan de hand van medisch objectiveerbare gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat haar psychische beperkingen niet juist zijn vastgelegd in de FML, onderschreven. Er is geen reden te twijfelen aan de juistheid van de inschatting van de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) van de medische belastbaarheid van appellante per

23 juli 2014. Het voorgaande impliceert dat er geen aanleiding is een deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek.

4.4.

De rechtbank wordt voorts gevolgd in haar oordeel dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht passend zijn voor appellante. In de arbeidskundige rapporten van 12 juni 2014 en 23 juli 2014, gelezen in onderlinge samenhang, zijn de signaleringen die attenderen op een mogelijke overschrijding van appellantes belastbaarheid toereikend gemotiveerd. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het Uwv op goede gronden heeft vastgesteld dat appellante met ingang van 23 juli 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. De daaraan ten grondslag gelegde overwegingen worden onderschreven.

4.5.

Hetgeen is overwogen onder 4.2 tot en met 4.4 leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Omdat het hoger beroep niet slaagt, is veroordeling tot vergoeding van de wettelijke rente niet mogelijk, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) J.W.L. van der Loo

TM