Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2126

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-06-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
15-605 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering WW-uitkering berust op goede gronden. Boete is te hoog vastgesteld. Vernietiging. De Raad stelt de boete vast op € 600,-. Appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Hem is daarvan zowel in objectieve als in subjectieve zin een verwijt te maken. Het was appellant niet onduidelijk dat hij werkzaamheden verrichtte en dat hij daarvan melding per week diende te doen. Dat de verloning van die werkzaamheden wellicht achteraf tot een correctie van een eerdere opgave zou kunnen leiden, was geen aanleiding om van een zo spoedig mogelijke melding van de gewerkte uren af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0622
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/605 WW

Datum uitspraak: 8 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

29 december 2014, 13/4177 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2016. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 22 november 2012 heeft het Uwv appellant met ingang van 7 november 2012 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). In het besluit van 22 november 2012 heeft het Uwv vermeld dat de WW-uitkering is gebaseerd op een verlies van 40 arbeidsuren per week. Daarnaast is in dat besluit vastgesteld dat appellant naast het werk waaruit hij werkloos was geworden nog werkzaamheden verrichtte voor Defensie en [werkgever] in een omvang 10,15 uur per week. Tevens is vermeld dat indien appellant in een week meer dan dit aantal uren werkt, de uitkering zal worden verminderd met dat aantal extra uren. Tenslotte is appellant er op gewezen dat hij wijzigingen in zijn situatie of inkomen onmiddellijk moet doorgeven aan het Uwv.

2. Naar aanleiding van een controle heeft het Uwv bij besluit van 9 juli 2013 de

WW-uitkering vanaf 23 april 2012 herzien en over de periode van 23 april 2012 tot en met

9 juni 2013, hetgeen in verband daarmee volgens het Uwv onverschuldigd was betaald,

€ 2.883,10, van appellant teruggevorderd. Bij een tweede besluit van 9 juli 2013 heeft het Uwv appellant een boete opgelegd van € 2.883,10.

3. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen de besluiten van 9 juli 2013. Bij beslissing op bezwaar van 20 september 2013 heeft het Uwv dat bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat artikel 16 van de WW niet toestaat een langere periode te nemen om te bepalen hoeveel uren appellant gemiddeld werkte in de periode voorafgaand aan het intreden van de werkloosheid. Verder heeft het Uwv vastgesteld dat de eigen opgave van appellant van de gewerkte uren afwijkt van de gegevens zoals die door de werkgevers aan de Belastingdienst zijn verstrekt. Ten aanzien van de boete heeft het Uwv overwogen dat appellant niet alleen heeft nagelaten om tijdig het correcte aantal gewerkte uren door te geven, maar dat hij ook heeft nagelaten om op een later moment, dat wil zeggen op het moment dat hij wel inzicht had in de betaalde uren, een correctieopgave te sturen.

4. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 20 september 2013. Hangende dat beroep heeft het Uwv het besluit van 20 september 2013 bij een beslissing op bezwaar van

22 augustus 2014 (bestreden besluit) in zoverre aangepast dat het benadelingsbedrag en de boete zijn verlaagd naar € 2.862,50.

5. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit op het punt van de herziening en de terugvordering in stand gelaten. De rechtbank heeft het beroep ten aanzien van de boete gegrond geacht wegens strijd met de artikelen 7, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en de artikelen 5:4, tweede lid en 5:46, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Onder toepassing van artikel 8:72a van de Awb heeft de rechtbank zelf voorzien en de boete bepaald op 10% van het benadelingsbedrag over de periode van 23 april 2012 tot en met 31 december 2012 en op 100% van het benadelingsbedrag over de periode van 1 januari 2013 tot en met 9 juni 2013, in totaal € 1,827,95. Voorts heeft de rechtbank het Uwv opgedragen het griffierecht te vergoeden.

6.1.

Appellant heeft in hoger beroep zijn eerdere stellingen herhaald. Volgens hem moeten de gewerkte uren over een langere periode worden bezien en gemiddeld. Ten aanzien van de boete heeft hij gesteld dat hij niet onmiddellijk na het verrichten van zijn werkzaamheden voor Defensie en de vrijwillige brandweer opgave kan doen van de omvang van die werkzaamheden omdat die pas bij de betaling van het salaris voor die werkzaamheden bekend worden. Dat is volgens appellant soms meerdere maanden nadat de werkzaamheden zijn verricht.

6.2.

In hoger beroep heeft het Uwv gewezen op de uitspraak van de Raad van 26 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4099) waarin de Raad heeft geoordeeld dat de wijze van berekening van de gewerkte uren zoals appellant die voorstaat niet kan worden gevolgd. Ten aanzien van de boete heeft het Uwv, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van

24 november 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:3754) het eerder ingenomen standpunt gewijzigd. Het Uwv ziet aanleiding om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen aangezien appellant een deel van zijn werkzaamheden heeft opgegeven. Dit leidt, zoals uiteengezet in het verweerschrift, tot een herberekening van 10% over het benadelingsbedrag over de periode voor 1 januari 2013 van € 182,55 en 25% over de periode van 1 januari tot en met 9 juni 2013 van € 411,35, in totaal € 593,92, welk bedrag op grond van artikel 2 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten wordt afgerond naar € 600,-. Omdat appellant de opgelegde boetes heeft betaald is er geen aanleiding om te veronderstellen dat de verlaagde boete voor appellant onaanvaardbare consequenties heeft. Het Uwv heeft de Raad verzocht dit standpunt te bevestigen.

7. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

7.1.1.

Op grond van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW zoals dat luidde ten tijde in geding, is werkloos de werknemer die ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren.In het tweede lid van artikel 16, van de WW, is bepaald dat onder de in het eerste lid bedoelde arbeidsuren per kalenderweek wordt verstaan het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht.

7.1.2.

Artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW bepaalt dat het recht op uitkering eindigt voorzover de werknemer niet langer werkloos is. Voor deze werknemer eindigt het recht op uitkering op grond van artikel 20, derde lid, van de WW ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij arbeid als werknemer verricht.

7.1.3.

Voor de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen ten aanzien van de boete wordt verwezen naar overweging 4.2 van de aangevallen uitspraak.

7.2.

Het oordeel van rechtbank ten aanzien van de herziening en de terugvordering van de onverschuldigd betaalde WW-uitkering wordt onderschreven. In de uitspraak van

26 november 2014 in een eerder hoger beroep van appellant heeft de Raad onder rechtsoverweging 4.4 geoordeeld dat uit de wettelijke bepalingen voortvloeit dat de omvang van een WW-recht per kalenderweek wordt vastgesteld. Gelet daarop behoort een berekening zoals door appellant wordt voorgestaan en die er op neerkomt dat over een veel langere periode wordt gemiddeld, niet tot de wettelijke mogelijkheden. Dit geldt eveneens voor zover de stelling van appellant betrekking heeft op de berekening van het aantal arbeidsuren in de periode vóór het intreden van de werkloosheid.

7.3.

Het Uwv heeft ten aanzien van de boete gehandeld overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 24 november 2014 en het nadien door het Uwv geformuleerde beleid. Appellant heeft de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Hem is daarvan zowel in objectieve als in subjectieve zin een verwijt te maken. Het was appellant niet onduidelijk dat hij werkzaamheden verrichtte en dat hij daarvan melding per week diende te doen. Dat de verloning van die werkzaamheden wellicht achteraf tot een correctie van een eerdere opgave zou kunnen leiden, was geen aanleiding om van een zo spoedig mogelijke melding van de gewerkte uren af te zien. Een boete van € 600,-, zoals door het Uwv bepleit, is in dit geval passend en geboden.

7.4.

Het hoger beroep slaagt daarom voor zover dat is gericht tegen de boete. De aangevallen uitspraak zal in zoverre worden vernietigd en de boete zal worden vastgesteld op € 600,-.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover deze betrekking heeft op de hoogte van de boete;

  • -

    stelt het bedrag van de boete vast op € 600,- en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 22 augustus 2014;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en E. Dijt en F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2016.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) M.S.E.S. Umans

UM