Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2119

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
15-2245 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot kwijtschelding studieschuld. Achterstallige termijnen. Niet voldaan voorwaarden kwijtscheldingsbeleid. Geen schending van het vertrouwensbeginsel. Invordering valt buiten de omvang geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/2245 WSF

Datum uitspraak: 9 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

17 februari 2015, 14/8852 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2016. Appellant is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft in het verleden studiefinanciering ontvangen. Daaruit is een studieschuld ontstaan die door hem moet worden terugbetaald.

1.2.

Bij besluit van 6 februari 2011 heeft de minister aan appellant medegedeeld dat de aflosperiode is geëindigd per 1 februari 2011 en dat appellant het restant van de lening niet meer hoeft te betalen. Appellant diende achterstallige termijnen nog wel te voldoen. Op verzoek van budgetbeheerder Stichting Kwintes heeft de minister bij brief van 26 september 2013 medegedeeld dat appellant nog een schuld van € 14.052,77 heeft openstaan aan achterstallige termijnen.

1.3.

Appellant heeft de minister verzocht tot kwijtschelding over te gaan van zijn studieschuld. De minister heeft dit verzoek bij besluit van 15 april 2014 afgewezen.

1.4.

Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 12 augustus 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellant niet verkeert in één van de in het kwijtscheldingsbeleid van de minister voorziene situaties. Van schending van het vertrouwensbeginsel en andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur is niet gebleken.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de minister met een brief van 21 maart 2014 een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging heeft gedaan door te stellen dat appellants schuld was kwijtgescholden wegens verjaring. De minister heeft appellants verzoek niet inhoudelijk beoordeeld en niet uitdrukkelijk getoetst aan het beleid. De invordering heeft voorts onzorgvuldig plaatsgevonden.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Niet in geschil is dat appellant niet verkeert in een situatie als omschreven in het kwijtscheldingsbeleid dat de minister voert bij de toepassing van de in artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering 2000 opgenomen hardheidsclausule. In zo’n geval rest de vraag of de omstandigheden waarin appellant verkeert zodanig bijzonder zijn dat afwijking van het beleid is aangewezen.

4.2.

Hetgeen appellant heeft aangevoerd leidt niet tot een uitzondering op het beleid. Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat met het bestreden besluit geen sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel. Reeds uit de brieven van 6 februari 2011 en 26 september 2013 heeft appellant kunnen en moeten begrijpen dat de door hem opgebouwde schuld uit meerdere onderdelen bestaat waarop een verschillend regiem van toepassing is. Appellant heeft uit de brief van 21 maart 2014 – hoewel zonder meer minder gelukkig geformuleerd – niet kunnen opmaken dat zijn gehele schuld inclusief de achterstallige termijnen zou zijn kwijtgescholden wegens verjaring. Bij brief van 9 april 2014 heeft de minister appellant hierover ook uitleg gegeven.

4.3.

De rechtbank heeft overigens terecht gewezen op de mogelijkheid die appellant heeft gehad om gebruik te maken van de door de wetgever geregelde systematiek waarin jaarlijks aan de hand van de draagkracht van de debiteur wordt bezien of, en zo ja tot welk bedrag, aflossing dient plaats te vinden. Dat appellant daarvan geen gebruik heeft gemaakt komt voor zijn rekening en risico. Dat de minister toegang heeft tot gegevens van de Belastingdienst om appellants draagkracht vast te stellen kan niet leiden tot een draagkrachtmeting zonder een daartoe dienend verzoek van appellant.

4.4.

Al hetgeen appellant heeft aangevoerd over de invordering valt buiten de omvang van dit geding. Indien appellant het oneens is met handelingen van de deurwaarder kan hij zich wenden tot de civiele rechter.

4.5.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2016.

(getekend) J. Brand

(getekend) J.W.L. van der Loo

MO