Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2118

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-06-2016
Datum publicatie
10-06-2016
Zaaknummer
15-4327 WSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering studiefinanciering naar een thuiswonende studerende. Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister met het rapport van 26 augustus 2014 voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant niet op het brp-adres woonde. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is om niet uit te gaan van de verklaringen die de buren in het kader van het buurtonderzoek hebben afgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4327 WSF

Datum uitspraak: 9 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 8 mei 2015, 14/3821 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Kraimi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kraimi. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN

1.1.1.

Appellant, geboren [in] 1991, staat vanaf 8 januari 2009 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba), nu basisregistratie personen (brp), onder het adres [Adres A] te [woonplaats]. Onder dit adres staan tevens ingeschreven een zus van appellant, haar man en hun drie kinderen.

1.1.2.

De minister heeft, voor zover hier van belang, voor de jaren 2012, 2013 en 2014 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) aan appellant toegekend die is berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

1.2.

In opdracht van de minister hebben controleurs onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Daartoe hebben zij verschillende malen geprobeerd een huisbezoek af te leggen op het adres waaronder appellant op het moment van de bezoeken in de brp was ingeschreven om te controleren of hij op dat adres woonde. Zonder succes hebben de controleurs op

10 juli 2014, om 11:30 uur, op 7 augustus 2014, om 14:15 uur en 17:10 uur, en op

22 augustus 2014, om 14:45 uur, geprobeerd om een huisbezoek te verrichten. Na aanbellen werd de deur steeds niet opengedaan. Vervolgens hebben de controleurs een buurtonderzoek verricht. Daartoe hebben zij op 22 augustus 2014 verklaringen opgenomen van [A], woonachtig te [adres 1], van [S], woonachtig te [adres 2], en van

[V], woonachtig te [adres 3]. Deze buurtbewoners hebben onafhankelijk van elkaar verklaard dat op het brp-adres een man, een vrouw en hun drie kinderen woonachtig zijn en dat er verder geen personen wonen. De controleurs hebben op 26 augustus 2014 van hun bevindingen een rapport opgemaakt. De door [A], [S] en [V] afgelegde en ondertekende verklaringen zijn bij dat rapport gevoegd.

1.3.

De minister heeft, voor zover hier van belang, op basis van het onder 1.2 weergegeven rapport bij besluit van 6 september 2014 de aan appellant toegekende studiefinanciering met ingang van 1 januari 2012 herzien, in die zin dat appellant vanaf die datum is aangemerkt als thuiswonende studerende. Het aan appellant over de periode van januari 2012 tot en met augustus 2014 te veel betaalde bedrag van € 6.224,72 is daarbij van hem teruggevorderd.

1.4.

De minister heeft het tegen het besluit van 6 september 2014 gemaakte bezwaar bij besluit van 4 november 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant ten tijde van belang niet woonachtig was op het

brp-adres. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat uit het buurtonderzoek blijkt dat de buren appellant niet als bewoner kennen, terwijl hij daar blijkens zijn inschrijving in de brp al meer dan vijf jaar zou wonen. Volgens de rechtbank mag de minister ervan uitgaan dat de directe buren weten wie er op het brp-adres woont. Voorts heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om niet uit te gaan van de verklaringen die de directe buren in het kader van het buurtonderzoek hebben afgelegd. De in beroep overgelegde verklaringen van deze buren hebben de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid. Volgens de rechtbank is niet komen vast te staan dat deze verklaringen objectief zijn. Daarnaast blijkt uit deze verklaringen niet dat appellant op het brp-adres woonde. De overige in beroep overgelegde verklaringen hebben de rechtbank evenmin tot een ander oordeel geleid. Volgens de rechtbank kan aan deze verklaringen niet de waarde worden gehecht die appellant daaraan gehecht wenst te zien, nu niet duidelijk is wat de relatie tussen appellant en deze getuigen is.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het rapport van 16 augustus 2014 geen voldoende feitelijke grondslag biedt voor de conclusie van de minister dat hij ten tijde van belang niet woonde op het brp-adres. De controleurs hebben geen voldoende zorgvuldig onderzoek verricht naar zijn feitelijke woon- en leefsituatie. Nu de controleurs, blijkens de verklaringen van [V] en [S], ervan op de hoogte moeten zijn geweest dat de bewoners van het brp-adres (in ieder geval) op 22 augustus 2014 niet thuis waren, omdat zij op vakantie waren, had het op hun weg gelegen om op een later moment terug te komen om nogmaals te proberen het huisbezoek te verrichten. Ten onrechte hebben de controleurs geen contact opgenomen met de hoofdbewoners om te bezien wanneer het huisbezoek zou kunnen plaatsvinden. Voorts blijkt uit de verklaringen van de buren dat de controleurs slechts kort met hen hebben gesproken. Het lijkt erop dat zij enkel naar de hoofdbewoners hebben gevraagd en niet hebben doorgevraagd of appellant daar wel of niet woont. Volgens appellant kan de herziening van de aan hem toegekende studiefinanciering niet worden gebaseerd op enkel de summiere verklaringen van de buren, te meer nu hij zowel in beroep als in hoger beroep nadere verklaringen van deze buren in het geding heeft gebracht waarin deze hun eerdere verklaringen hebben genuanceerd. Voorts heeft appellant verwezen naar de in beroep overgelegde verklaringen van zijn collega’s en vrienden en heeft hij enkele nadere verklaringen overgelegd van – onder meer – de hoofdbewoonster waaruit blijkt dat hij ten tijde van belang wel woonde op het brp-adres. Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat het zorgvuldiger was geweest indien de controleurs ook een huisbezoek hadden verricht op zijn ouderlijke adres. Ten slotte heeft appellant aangevoerd dat het eveneens van zorgvuldigheid had getuigd, indien de minister hem de gelegenheid had geboden om een zienswijze in te dienen alvorens het primaire besluit van 6 september 2014 te nemen en hem had gehoord alvorens het bestreden besluit te nemen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Met juistheid heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister met het rapport van

26 augustus 2014 voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant niet op het brp-adres woonde. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is om niet uit te gaan van de verklaringen die de buren [V], [S] en [A] in het kader van het buurtonderzoek hebben afgelegd. Hierbij wordt van belang geacht dat deze buren, onafhankelijk van elkaar, een gelijkluidende verklaring hebben afgelegd. De buren hebben verklaard dat op het

brp-adres alleen een Marokkaanse man, zijn vrouw en hun drie kinderen wonen. Volgens deze buren woont er niemand anders. Indien ook appellant op het brp-adres zou wonen, is het niet aannemelijk dat de buren dit niet zouden weten. Hierbij is van belang dat appellant blijkens zijn inschrijving in de brp al meer dan vijf jaar op het brp-adres zou wonen.

4.2.

De nadere verklaringen van [V], [S] en [A] die appellant in beroep en in hoger beroep heeft overgelegd, geven geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Uit deze verklaringen blijkt niet meer dan dat zij appellant weleens dan wel regelmatig bij het

brp-adres hebben gezien. Hieruit blijkt niet dat appellant wel op het brp-adres woonde.

4.3.

De door appellant overgelegde verklaringen van zijn collega’s en vrienden en van de hoofdbewoonster geven evenmin aanleiding om tot een ander oordeel te komen. Uit de verklaringen van zijn collega’s en vrienden blijkt niet meer dan dat zij appellant weleens bij het brp-adres, dan wel in de buurt van het brp-adres hebben afgezet. Hieruit blijkt niet dat appellant wel op het brp-adres woonde. Ten slotte is de verklaring van de hoofdbewoonster dat appellant wel op het brp-adres woonde onvoldoende om niet van de verklaringen van de buren uit te gaan. Hierbij is van belang dat deze verklaring met geen enkel objectief bewijsstuk is onderbouwd.

4.4.

De hogerberoepsgrond dat de controleurs ten onrechte geen contact met de hoofdbewoners hebben opgenomen om een afspraak te maken voor het huisbezoek treft geen doel. Er is geen rechtsregel die de minister verplicht om een huisbezoek vooraf aan te kondigen. Daar komt nog bij dat een dergelijke aankondiging afbreuk zou doen aan het karakter van het huisbezoek.

4.5.

De hogerberoepsgrond dat de controleurs na de vakantie van de hoofdbewoners hadden moeten terugkomen om nogmaals te proberen om het huisbezoek te verrichten, treft evenmin doel. De controleurs hebben op verschillende dagen en op verschillende tijdstippen geprobeerd om het huisbezoek te verrichten. Nu zij steeds niemand op het brp-adres aantroffen, hebben zij kunnen besluiten om een buurtonderzoek te verrichten. Nu uit de bevindingen van het buurtonderzoek al kon worden afgeleid dat appellant niet op het

brp-adres woonde, hoefde de minister geen aanleiding te zien om nogmaals te proberen om een huisbezoek te verrichten op het brp-adres. Gelet hierop hoefde de minister evenmin aanleiding te zien om een huisbezoek te verrichten op het ouderlijke adres van appellant. Indien de studerende niet op het brp-adres woont, is immers, ingevolge de artikelen 1.1 en 1.5 van de Wsf 2000, niet van belang waar hij of zij dan wel woont.

4.6.

Het betoog van appellant dat het zorgvuldiger was geweest indien de minister hem de gelegenheid had geboden om een zienswijze in te dienen alvorens het primaire besluit te nemen en hem had gehoord alvorens het bestreden besluit te nemen, biedt evenmin aanknopingspunten voor een ander oordeel. Er is geen rechtsregel aanwijsbaar op grond waarvan de minister gehouden was appellant voorafgaande aan het primaire besluit persoonlijk te horen of te confronteren met de bevindingen van het buurtonderzoek. Voorts is in zaken als deze ingevolge artikel 7.3 van de Wsf 2000 de hoorplicht van artikel 7.2 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2016.