Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2117

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2016
Datum publicatie
10-06-2016
Zaaknummer
15-3275 MAW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overschrijding redelijke termijn. Proceskosten veroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2016/235
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/3275 MAW

Datum uitspraak: 2 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

9 april 2015, 14/10541 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O.W. Borgeld hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Borgeld en drs. P. van Amerongen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. A.J. Verdonk en drs. W.J.A.M. Zwetsloot.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is als [naam functie A] werkzaam bij het ministerie van Defensie. Bij de periodieke medische keuring op 8 maart 2011 is appellant vanwege een abnormale uitslag van de inspanningstest doorverwezen naar de cardioloog van het Centraal Militair Hospitaal. Deze heeft bij appellant een afgesloten kransslagader vastgesteld waarvoor appellant op 9 mei 2011 een operatie heeft ondergaan. Op 6 november 2012 is appellant vervolgens opnieuw medisch gekeurd.

1.2.

Bij besluit van 11 februari 2013 heeft de minister aan appellant op grond van onderdeel 140, onder c, van de Military Aviation Requirements Flight Crew Licensing (Medical) (MAR-FCL 3) en paragraaf 6 van bijlage 1 een Militaire Medische Verklaring verstrekt met de restricties “Variations Applied”, “Valid only with or as qualified co-pilot” en “Special instructions - contact AMS”. Vanwege deze restricties mag appellant uitsluitend vliegen in een vliegtuig met meerdere piloten en moet hij jaarlijks een ergometrisch onderzoek ondergaan. Appellant is nadien regelmatig opnieuw gekeurd en heeft steeds dezelfde restricties opgelegd gekregen.

1.3.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 februari 2013. Hij heeft daarbij, samengevat, gesteld dat hij een sterk hart heeft, zonder afwijkingen, en is van mening dat in zijn individuele geval een dispensatie mogelijk moet zijn. Bij besluit van 9 oktober 2014 (bestreden besluit) is het tegen het besluit van 11 februari 2013 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank biedt de regelgeving geen ruimte om in het geval van appellant, als uitzondering, niet de betreffende restrictie op te leggen. De rechtbank heeft verder overwogen dat, voor zover appellant heeft gesteld dat toepassing dient te worden gegeven aan artikel 10.1, derde lid, van de Wet luchtvaart, deze stelling nergens toe kan leiden, nu appellant dit eerst in beroep heeft aangevoerd en de rechtbank het bestreden besluit moet beoordelen naar de feiten zoals die zich voordeden ten tijde van het nemen van het besluit.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Hoger beroep

4.1.

Het ontbreken van een verslag of proces-verbaal van de door de commissie vliegmedische geschiktheid (commissie) op 13 november 2013 gehouden hoorzitting, maakt, anders dan appellant heeft gesteld, niet dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Appellant heeft er weliswaar terecht op gewezen dat door deze omissie de ten overstaan van de commissie afgelegde verklaringen van onder andere de cardio-thoracaal chirurg

dr. M.P. Buijsrogge niet beschikbaar zijn, maar appellant heeft daarin kennelijk geen aanleiding gezien om de verklaringen van Buijsrogge op eigen initiatief alsnog aan het dossier toe te voegen. Bovendien heeft appellant de weergave van de verklaringen van Buijsrogge in het advies van de commissie van 2 juni 2014 niet betwist. De Raad is daarom met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat appellant door het ontbreken van een verslag of proces-verbaal van de genoemde hoorzitting in zijn belangen is geschaad.

4.2.

Hoewel appellant verder moet worden toegegeven dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak, waar het gaat om de medische feiten, de aanvankelijke diagnose (3-taks coronairlijden) en niet de uiteindelijke diagnose (1-taks coronairlijden) heeft genoemd, is dit niet van invloed geweest op de beoordeling van het beroep en is appellant ook hierdoor niet in zijn belangen geschaad. Voor de aangevallen uitspraak heeft dit daarom geen gevolgen.

4.3.

Appellant heeft zich in hoger beroep, onder verwijzing naar artikel 10.1, derde lid, van de Wet luchtvaart, op het standpunt gesteld dat hem in afwijking van de regelgeving een Militaire Medische Verklaring moet worden verstrekt zonder de restrictie “Valid only with or as qualified co-pilot”, omdat volgens hem het risico voor de vliegveiligheid in zijn geval even groot is als in het geval van een regulier gekeurde vlieger.

4.4.

Ingevolge artikel 10.1, tweede lid, van de Wet luchtvaart worden militaire luchtvaartuigen bediend door cockpitpersoneel, dat voldoet aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur gestelde eisen inzake theoretische en praktische bekwaamheid en geestelijke en lichamelijke geschiktheid.

4.5.

Ingevolge het derde lid van artikel 10.1 van de Wet luchtvaart kan de minister in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de bij of krachtens het tweede lid gestelde regels, wanneer door bijzondere omstandigheden die regels in redelijkheid geen toepassing kunnen vinden en de veiligheid van het luchtverkeer met het verlenen van de ontheffing niet in gevaar wordt gebracht.

4.6.

De Raad is van oordeel dat de minister op grond van het bezwaar van appellant tegen het beluit van 11 februari 2013 had moeten bezien of er aanleiding bestaat om de in artikel 10.1, derde lid, van de Wet luchtvaart bedoelde ontheffing te verlenen. Nu de minister dat in het onderhavige geval heeft nagelaten, berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering en moet het wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden vernietigd.

4.7.

Er bestaat geen aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. De Raad overweegt daartoe het volgende. De minister heeft zich ter zitting van de Raad op het standpunt gesteld dat medische omstandigheden niet kunnen leiden tot de in artikel 10.1, derde lid, van de Wet luchtvaart bedoelde ontheffing. De Raad onderschrijft dit standpunt niet. Blijkens de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Wet Luchtverkeer (thans de Wet luchtvaart) (Kamerstukken II 1995-1996, 24513, nr.3) kan de minister van Defensie de in artikel 10.1, derde lid, genoemde ontheffing verlenen analoog aan de in artikel 2.1 van de Wet Luchtverkeer neergelegde bevoegdheid van de minister van Verkeer en Waterstaat om ontheffing te verlenen van de vereisten - waaronder een medische verklaring - voor het bedienen van een burgerluchtvaartuig. Bij uitspraak van 18 februari 2004 (ECLI:NL:RVS:2004:AO3922) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen dat noch in de tekst van de Wet luchtvaart noch in de toelichting daarop aanknopingspunten zijn te vinden dat de in artikel 2.1, vierde lid, van die wet bedoelde ontheffingsmogelijkheid zich niet mede zou uitstrekken tot de in het slot van artikel 2.1, tweede lid, genoemde medische verklaring. De Raad heeft geen aanleiding om te oordelen dat dit in het geval van de ontheffing bedoeld in artikel 10.1, derde lid, van de Wet luchtvaart anders is. Het vorenstaande betekent dat de minister de medische omstandigheden dient te betrekken bij de vraag of er aanleiding is om van de in artikel 10.1, derde lid, van de Wet luchtvaart genoemde mogelijkheid tot ontheffing gebruik te maken.

4.8.

Uit 4.4 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou moeten doen, het beroep alsnog gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De minister dient opnieuw op het bezwaar tegen het besluit van 11 februari 2013 te beslissen met inachtneming van deze uitspraak. De Raad ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of een bestuurlijke lus toe te passen, nu het aan de minister is om te bezien of de medische omstandigheden van appellant aanleiding geven om appellant de in artikel 10.1, derde lid, van de Wet luchtvaart bedoelde ontheffing te verlenen dan wel een minder vergaande restrictie op te leggen. De Raad ziet met het oog op een voortvarende afwikkeling wel aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat beroep tegen de nieuwe beslissing op bezwaar slechts kan worden ingesteld bij de Raad.

Verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

5.1.

Appellant heeft terecht aangevoerd dat de rechtbank heeft verzuimd om zich uit te spreken over het in beroep aan de rechtbank gedane verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Met betrekking tot dit verzoek overweegt de Raad als volgt.

5.2.

De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld en het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele procesgang.

5.3.

De redelijke termijn voor een procedure in drie instanties is in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren.

5.4.

Volgens de rechtspraak van de Raad is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden.

5.5.

Nu in beroep bij de rechtbank is aangevoerd dat de redelijke termijn is overschreden, had de rechtbank daarover een oordeel moeten geven uitgaande van de in 5.3 genoemde behandelingsduren voor bezwaar en beroep.

5.6.

Vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de minister op 22 maart 2013 tot de datum van de aangevallen uitspraak, 9 april 2015, zijn meer dan twee jaar verstreken. De Raad heeft in de zaak zelf en de opstelling van partijen geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat de lengte van de procedure in bezwaar en beroep meer dan twee jaar zou mogen bedragen. Van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase is geen sprake geweest. De overschrijding van de redelijke termijn in de bezwaar- en de beroepsprocedure als geheel met een kleine drie weken moet daarom aan de minister worden toegerekend. De minister dient een vergoeding voor immateriële schade van € 500,- aan appellant te betalen.

Verzoek om vergoeding van de proceskosten

6. Er bestaat aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant. Anders dan appellant heeft gesteld, is de Raad van oordeel dat de zaak niet zodanig complex is dat er aanleiding bestaat voor toepassing van een wegingsfactor hoger dan 1. De proceskosten worden daarom begroot op € 992,- in beroep en op € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 9 oktober 2014 gegrond en vernietigt dat besluit;

- bepaalt dat de minister een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat beroep tegen die beslissing op bezwaar slechts kan worden ingesteld bij de Raad;

- veroordeelt de minister tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;

- bepaalt dat de minister aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 413,- vergoedt;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.984,-.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma als voorzitter en M.C.D. Embregts en

J.A.M. van den Berk als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2016.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) B. Fotchind

JL