Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2116

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
15/7088 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

1) Het beroep dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing is gegrond. Overschrijding beslistermijn. Maximale dwangsom verbeurd. 2) Het besluit wordt niet langer gehandhaafd. Inschaling en de opbouw van verlof vallen buiten de omvang geding. De herstart van de raio-opleiding is in gang gezet zonder dat een ontwikkelassessment zal plaatsvinden en van appellant wordt inmiddels niet meer verlangd dat hij een voor zijn personeelsdossier bestemde schriftelijke reactie geeft. 3) Hogere proceskostenvergoeding toegekend dan de forfaitaire vergoeding, aangezien bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bbp.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 4:17
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Besluit proceskosten bestuursrecht
Besluit proceskosten bestuursrecht 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2016/237
NJB 2016/1303
TAR 2016/144
USZ 2016/249
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/7088 AW en 16/3646 AW

Datum uitspraak: 2 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Veiligheid en Justitie (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer op 28 januari 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. I.L. Gerrits, advocaat. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door S.J. Burgmeijer en mr. R. Snijhorst.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Verweerder heeft een besluit van 18 februari 2016 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 7 maart 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gerrits. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S. van Waegeningh, advocaat, mr. Snijhorst en mr. C. Dijkshoorn-Boender.


Het onderzoek is vervolgens heropend, waarna de zaak is verwezen naar een meervoudige kamer.

Het geding is behandeld ter zitting van een meervoudige kamer op 21 april 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Gerrits. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Waegeningh en E.C.N. Hage.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is per 1 april 2010 aangesteld als rechterlijk ambtenaar in opleiding (raio) in tijdelijke dienst bij de rechtbank [plaatsnaam] . Verweerder heeft bij besluit van 30 augustus 2012 de raio-opleiding van appellant per direct beëindigd. Het bezwaar daartegen heeft verweerder bij besluit van 28 februari 2013 ongegrond verklaard. Bij besluit van 7 september 2012 heeft verweerder de aanstelling van appellant als raio per 1 januari 2013 beëindigd. Het bezwaar daartegen heeft verweerder bij besluit van 1 maart 2013 ongegrond verklaard.

1.2.

Bij uitspraak van 20 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3815 heeft de Raad, voor zover hier van belang, het beroep tegen het besluit van 28 februari 2013 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De Raad heeft daarbij, zelf voorziend, het besluit van 30 augustus 2012 herroepen en heeft daarnaast bepaald dat appellant zijn raio-opleiding zal vervolgen bij het [naam onderdeel] ( [onderdeel] ). Verweerder zal zo spoedig mogelijk met appellant in overleg moeten treden over de ingangsdatum daarvan en een parket moeten aanwijzen waar de opleiding zal worden vervolgd, maar niet het parket binnen het arrondissement [naam parket 1] . Verder heeft de Raad het beroep tegen het besluit van 1 maart 2013 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd, het besluit van 7 september 2012 herroepen en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 1 maart 2013. Tot slot heeft de Raad beslissingen gegeven over de vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.

1.3.

In vervolg op deze uitspraak heeft op 17 december 2014 een gesprek plaatsgevonden tussen appellant, zijn gemachtigde en medewerkers van Studiecentrum Rechtspleging (SSR).

1.4.

Bij e-mail van 23 januari 2015 is van de zijde van verweerder aan appellant bericht dat het helaas nog niet is gelukt om inhoudelijk te reageren op hetgeen op 17 december 2014 is besproken. Daarbij is vermeld dat nog gesprekken plaatsvinden tussen medewerkers van SSR, het [onderdeel] en het Ministerie van Veiligheid en Justitie.

1.5.

Appellant heeft bij e-mail van 23 maart 2015 aan mr. R.H.M. Jansen, voorzitter van het College van bestuur van SSR, meegedeeld dat hij niet ingaat op de hem voorgestelde vertrekregeling. Hij heeft verder verzocht om een gesprek te laten plaatsvinden om eventuele misverstanden op te helderen en om te bezien hoe zijn raio-opleiding kan worden vervolgd.

1.6.

Bij e-mail van 1 mei 2015 is namens mr. Jansen aan appellant meegedeeld dat de uitvoering van de uitspraak van de Raad van 20 november 2014 te lang gaat duren. Daarom kiest zij ervoor het gesprek te laten voor wat het is, dit in het grotere belang van een spoedige herstart van de opleiding. Verder is meegedeeld dat het voornemen is om de raio-opleiding van appellant per 15 mei 2015 te herstarten.

1.7.

Appellant heeft verweerder bij e-mails van 4 en 7 mei 2015 bericht dat hij tijdelijk werkzaamheden verricht bij een andere werkgever, dat hij zijn arbeidsovereenkomst vanwege de geldende opzegtermijn niet eerder dan per 1 juli 2015 kan opzeggen en dat de andere werkgever bereid is te onderzoeken of een eerder vertrek mogelijk is.

1.8.

Verweerder heeft appellant bij e-mail van 12 mei 2015 meegedeeld dat gewacht wordt op de besluitvorming van het College van procureurs-generaal. Aan appellant is geadviseerd zijn arbeidsovereenkomst elders nog niet op te zeggen en hem is meegedeeld dat de verwachting bestaat dat binnenkort nader bericht volgt.

1.9.

Bij e-mail van 9 juni 2015 heeft appellant verweerder meegedeeld dat hij nog niets heeft vernomen over het vervolg van zijn raio-opleiding. Daarbij heeft hij de suggestie gedaan om per 1 september 2015 te beginnen, in welk geval hij zijn arbeidsovereenkomst tijdig kan opzeggen en zijn werkzaamheden elders op een goede wijze kan afronden.

1.10.

Op 18 augustus 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen appellant en

S.J. Burgmeijer, concerndirecteur HRM/bedrijfsvoering van het [onderdeel] . Bij e-mail van

18 september 2015 heeft appellant, onder verwijzing naar in vervolg op het gesprek van

18 augustus 2015 gemaakte afspraken, verweerder verzocht om uiterlijk 28 september 2015 een parket aan te wijzen.

1.11.

Bij brieven van 30 september 2015 heeft appellant het College van bestuur van SSR en het College van procureurs-generaal in gebreke gesteld en verzocht om uiterlijk binnen twee weken alsnog een beslissing te nemen over de aanwijzing van een parket.

1.12.

Bij brief van 21 oktober 2015, ingekomen op 23 oktober 2015, heeft appellant beroep ingesteld bij de Raad, gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

1.13.

Zoals op 28 januari 2016 ter zitting bij de Raad was toegezegd, heeft verweerder bij besluit van 18 februari 2016 appellant per uiterlijk 1 mei 2016 geplaatst bij het parket [naam parket 2] . Daarbij is appellant verzocht om vóór de aanvang van de parketstage medewerking te verlenen aan een ontwikkelassessment. In dat verband is vermeld dat appellant, indien hij hieraan om hem moverende redenen geen medewerking wil verlenen, dit schriftelijk en bij voorkeur gemotiveerd kenbaar moet maken. Deze reactie zal dan worden toegevoegd aan het raio-opleidingsdossier. Verder is beslist dat appellant met ingang van 1 januari 2013 wordt ingedeeld in schaal 12, trede 4, van salariscategorie 12 als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. Daaraan is toegevoegd dat appellant ieder jaar in de maand april een extra periodiek wordt toegekend, zodat hij per 1 april 2016 zal worden ingedeeld in schaal 12, trede 7. Daarnaast is beslist dat appellant weer verlofrechten gaat opbouwen zodra hij zijn werkzaamheden als raio zal hervatten.

2. Appellant heeft te kennen gegeven dat het besluit van 18 februari 2016 niet geheel aan het beroep tegemoet komt.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Ambtshalve overweegt de Raad allereerst het volgende. In de onderhavige zaken gaat het om de toepassing van het Besluit opleiding rechterlijke ambtenaren (Bora), dat, voor zover hier van belang, is genomen ter uitvoering van artikel 145, tweede lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet RO). De Wet RO en het Bora worden niet genoemd in artikel 3 van Bijlage 2 bij de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat geschillen als deze strikt genomen niet onder het bereik van dit artikel vallen. De Raad ziet echter, in lijn met de uitspraak 20 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3815, voldoende grond om zich bevoegd te achten op het beroep van appellant te beslissen.

Het beroep tegen het niet tijdig beslissen

3.2.1.

Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

3.2.2.

Op grond van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb kan, voor zover hier van belang, het beroepschrift tegen het niet tijdig nemen van een besluit worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld in gebreke te zijn.

3.2.3.

Bij onder 1.2 genoemde uitspraak van 20 november 2014 heeft de Raad zelf in de zaak voorzien op de onder 1.2 omschreven wijze, waarbij de primaire besluiten van 30 augustus 2012 en 7 september 2012 zijn herroepen. In het kader van de toepassing van de artikelen 6:2 en 6:12 van de Awb moet bij de genoemde uitspraak een aanvraag tot het nemen van een plaatsingsbesluit geacht worden te zijn ingediend. Dit betekent dat met de bekendmaking van de uitspraak een beslistermijn is aangevangen. Aangezien niet een bij wettelijk voorschrift bepaalde beslistermijn van toepassing is, moet die termijn worden gesteld op de redelijke termijn als bedoeld in artikel 4:13 van de Awb. Er is geen aanleiding om in dit geval uit te gaan van een andere termijn dan de in artikel 4:13, tweede lid, van de Awb vermelde termijn van acht weken. Die beslistermijn was ten tijde van het indienen van het beroepschrift - ruimschoots - verstreken. Ook was op dat moment voldaan aan het vereiste dat twee weken zijn verstreken na de dag waarop het bestuursorgaan in gebreke is gesteld. Het beroep dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing is dus gegrond.

3.2.4.

Op grond van artikel 8:55c, tweede lid, van de Awb, in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb stelt de Raad, indien het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de op grond van artikel 4:17 van de Awb verbeurde dwangsom vast.

3.2.5.

Op grond van artikel 4:17, eerste lid, eerste volzin, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan, indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Op grond van het tweede lid bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20,- per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30,- per dag en de overige dagen € 40,- per dag. In het derde lid is bepaald dat de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag is waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.

3.2.6.

Ten tijde van het nemen van het besluit van 18 februari 2016 waren meer dan 42 dagen verstreken nadat verweerder in gebreke was een plaatsingsbesluit te nemen, zodat verweerder de maximale dwangsom heeft verbeurd, te weten € 1.260,-. Die dwangsom zal aan appellant worden toegekend.

Het beroep tegen het besluit van 18 februari 2016

3.3.1.

Uit meergenoemde uitspraak van 20 november 2014 vloeide voor verweerder de verplichting voort om een parket aan te wijzen waar appellant zijn raio-opleiding zou vervolgen en om daarbij een ingangsdatum te bepalen. Op die beslissingen waren de verzoeken van appellant van 30 september 2015 en 21 oktober 2015 dan ook gericht. Het besluit van 18 februari 2016 wordt met toepassing van de artikelen 6:20, derde lid, en 6:24 van de Awb in de beoordeling betrokken voor zover het betreft de plaatsing per 1 mei 2016 bij parket [naam parket 2] . De eveneens in het besluit van 18 februari 2016 opgenomen beslissingen over de inschaling en de opbouw van verlof vallen buiten de omvang van dit geding. Eveneens buiten de omvang van deze gedingen valt de door appellant verlangde vergoeding van schade die hij stelt te hebben geleden als gevolg van de onder 1.1 vermelde besluiten van 30 augustus 2012 en 7 september 2012.

3.3.2.

De Raad zal wel een oordeel geven over de beroepsgrond van appellant die ziet op de door verweerder verlangde medewerking aan een ontwikkelassessment, gezien de verwevenheid daarvan met de plaatsing bij een parket. Mede gelet op wat van de zijde van verweerder ter zitting van 28 januari 2016, 7 maart 2016 en 21 april 2016 is verklaard, moet worden vastgesteld dat de van appellant verlangde medewerking aan een assessment geen vrijblijvend karakter heeft en ingrijpt in zijn rechtspositie. Het niet meewerken zou later nadelige gevolgen voor appellant kunnen meebrengen. Ter zitting van 21 april 2016 is namens verweerder verklaard dat de herstart van de raio-opleiding in gang is gezet zonder dat een ontwikkelassessment zal plaatsvinden en dat van appellant inmiddels niet meer wordt verlangd dat hij een voor zijn personeelsdossier bestemde schriftelijke reactie geeft. Het besluit van 18 februari 2016 wordt dit punt dus niet langer gehandhaafd. Het beroep tegen het besluit van 18 februari 2016 zal daarom gegrond worden verklaard en dit besluit zal worden vernietigd voor zover daarbij de verplichting is opgelegd om voorafgaand aan de plaatsing medewerking te verlenen aan een ontwikkelassessment.

4.1.

Er is aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellant. In dit verband heeft appellant verzocht om verweerder te veroordelen in de volledige proceskosten die hij in het onderhavige geding heeft gemaakt. Daarbij heeft hij verwezen naar artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

4.2.

Het uitgangspunt van het op artikel 8:75 van de Awb gebaseerde Bpb bij vergoeding van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is dat een forfaitaire vergoeding wordt toegekend. In artikel 2, derde lid, van het Bpb is neergelegd dat hiervan in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken. De toelichting bij het Bpb vermeldt hierover dat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de regeling onrechtvaardig kan uitpakken en dat de rechter in bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding - zonder af te doen aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten - kan verhogen of verlagen.

4.3.

Wil naar het oordeel van de Raad sprake zijn van bijzondere omstandigheden dan zal een betrokkene, als gevolg van de werkwijze van een bestuursorgaan, uitzonderlijk hoge kosten hebben moeten maken (zie de uitspraak van de Raad van 10 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4672). Bij de beoordeling of daarvan sprake is, moet ook betekenis worden toegekend aan de vraag of betrokkene de kosten redelijkerwijs heeft moeten maken, zoals artikel 8:75, eerste lid, van de Awb voorschrijft.

4.4.

De Raad is van oordeel dat zich hier een uitzonderlijk geval voordoet. Alhoewel verweerder uit de uitspraak van de Raad van 20 november 2014 had moeten afleiden dat appellant binnen een redelijke termijn geplaatst had moeten worden bij een parket, heeft het uiteindelijk ruim vijftien maanden geduurd voordat een plaatsingsbesluit is genomen. Die lange duur moet worden toegerekend aan verweerder. Daarmee is gebrekkig uitvoering gegeven aan de in de uitspraak van 20 november 2014 gegeven opdracht. Doordat, ondanks meerdere toezeggingen van de zijde van verweerder dat snel duidelijkheid zou volgen en zonder geldige reden een plaatsingsbesluit uitbleef, is appellant nodeloos in een positie gebracht waarin hij om zijn raio-opleiding te kunnen vervolgen weer aanzienlijke proceskosten heeft moeten maken. Daarmee is sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid, van het Bbp, die aanleiding geven om appellant een hogere proceskostenvergoeding toe te kennen dan de forfaitaire vergoeding zoals neergelegd in artikel 2, eerste lid, van het Bbp.

4.5.

Appellant heeft de kosten vanaf het moment van instellen van beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit begroot op € 10.686,12. Nu de Raad niet is gebleken dat appellant deze kosten redelijkerwijs niet had behoeven te maken, komen deze kosten voor volledige vergoeding in aanmerking. De minister zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van appellant tot het genoemde bedrag van € 10.686,12.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep tegen het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een
beslissing ter uitvoering van de uitspraak van 20 november 2014,
ECLI:NL:CRVB:2014:3815, gegrond;

- vernietigt dat besluit;

- stelt de hoogte van de door verweerder aan appellant verschuldigde dwangsom vast op
€ 1.260,-;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 18 februari 2016 gegrond voor zover daarbij de
verplichting is opgelegd voorafgaand aan de plaatsing medewerking te verlenen aan een
ontwikkelassessment;

- vernietigt het besluit van 18 februari 2016 in zoverre;

- bepaalt dat verweerder aan appellant het betaalde griffierecht van € 160,-vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 10.686,12.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en

J.J.T. van den Corput en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2016.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) C.A.W. Zijlstra

IJ