Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2115

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
15/5709 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Buiten behandeling gesteld verzoek bijzondere bijstand op grond van artikel 4:5 Awb. Gevraagde gegevens niet tijdig overgelegd. Verwijtbaar. Nagelaten adequate maatregelen te treffen in verband met verblijf buitenland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15 5709 WWB

Datum uitspraak: 7 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

24 juli 2015, 15/343 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.A. Namaki, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2016. Namens appellant is verschenen mr. Namaki. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F.S.D. de Gama.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 3 juli 2014 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van inrichting van zijn nieuwe woning.

1.2.

Bij brief van 13 augustus 2014 heeft het college appellant geïnformeerd dat hij niet alle gegevens heeft aangeleverd die nodig zijn voor de behandeling van zijn aanvraag. Het college heeft appellant in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens, waaronder de bankafschriften van de afgelopen zes weken en een lijst van benodigdheden van noodzakelijke spullen voor de woninginrichting (gevraagde gegevens), over te leggen.

1.3.

Bij brief van 22 augustus 2014 heeft het college appellant nogmaals geïnformeerd dat hij niet alle gegevens heeft aangeleverd die nodig zijn voor de behandeling van zijn aanvraag. Het college heeft appellant opnieuw in de gelegenheid gesteld de gevraagde gegevens over te leggen. In deze brief heeft het college appellant meegedeeld dat de aanvraag buiten behandeling wordt gelaten als appellant de gevraagde gegevens niet uiterlijk binnen zeven dagen na dagtekening van deze brief (hersteltermijn) heeft overgelegd. Appellant heeft geen gegevens overgelegd.

1.4.

Bij besluit van 15 september 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 december 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant niet tijdig aan het verzoek om de gevraagde gegevens over te leggen heeft voldaan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij heeft verzuimd om tijdig de gevraagde gegevens over te leggen. Appellant was naar Marokko vertrokken toen de onder 1.2 en 1.3 genoemde brieven werden bezorgd op zijn huisadres. Voorts had appellant geen reden om brieven te verwachten van het college en zag hij om die reden ook geen aanleiding om het college op de hoogte te brengen van zijn verblijf in Marokko. Verder was dit verblijf, dat samenhing met de ziekte van een familielid, voor appellant onverwacht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2,

tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Niet in geschil is dat appellant de gevraagde gegevens niet binnen de gegeven hersteltermijn heeft overgelegd. Evenmin is in geschil dat de gevraagde gegevens noodzakelijk waren voor het beoordelen van de aanvraag om bijzondere bijstand.

4.3.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of appellant van het niet tijdig overleggen van de gevraagde gegevens een verwijt kan worden gemaakt.

4.4.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij redelijkerwijs niet in staat is geweest om tijdig de gevraagde gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 20 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3761) ligt het op de weg van een betrokkene om bij afwezigheid, vanwege verblijf in het buitenland, adequate maatregelen te treffen zodat tijdig kan worden gereageerd op toegezonden correspondentie. Voor dit geding betekent dit dat het tot de eigen verantwoordelijkheid van appellant moet worden gerekend om, daargelaten op welke datum appellant daadwerkelijk naar Marokko is vertrokken, voorafgaand aan zijn vertrek naar Marokko aan het college kenbaar te maken hoe hij gedurende dit verblijf bereikt zou kunnen worden of er zorg voor te dragen dat de op zijn huisadres ontvangen post tijdens zijn afwezigheid adequaat wordt behandeld. Appellant kon in het licht van zijn aanvraag van 3 juli 2014 correspondentie van het college verwachten. Appellant heeft echter nagelaten adequate maatregelen te treffen als hiervoor bedoeld, wat hem is aan te rekenen. Dat het verblijf in Marokko voor appellant onverwacht was, kan aan het vorenstaande niet af doen.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat appellant van het niet tijdig overleggen van de gevraagde gegevens een verwijt kan worden gemaakt. Dit betekent dat het college bevoegd was om de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb buiten behandeling te stellen.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2016.

(getekend) M. Hillen

(getekend) C. Moustaïne

HD