Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2108

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
14/5344 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking. Onvoldoende feitelijke grondslag voor standpunt dat appellante niet op uitkeringsadres woonde. Gerede twijfels aan juistheid onderzoeksgegevens. Huisbezoek op verkeerde adres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5344 WWB

Datum uitspraak: 7 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 augustus 2014, 14/2683 WWB (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Oosterhout (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. van Hooijdonk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Hooijdonk. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. F.M.F.N. Baeten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving met ingang van 18 december 2012 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Zij stond vanaf 1 augustus 2012 ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans basisregistratie personen) op het adres [adres 1] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een vermoeden van de klantmanager van appellante dat de ex-partner van appellante (Z) bij haar zou inwonen, hebben bijzonder controleurs van de gemeente Oosterhout een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader hebben de bijzonder controleurs dossieronderzoek verricht, registraties geraadpleegd, in de periode van 17 september 2013 tot en met 8 oktober 2013 in totaal vijftien pogingen tot huisbezoek gedaan, op 1 oktober 2013 een waarneming verricht en op

30 september 2013 buurtbewoners van het uitkeringsadres gehoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 14 oktober 2013.

1.3.

Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluit van

24 oktober 2013 de bijstand van appellante in te trekken met ingang van 1 september 2013. Bij besluit van 27 januari 2014 heeft het college het besluit van 24 oktober 2013 herzien, met dien verstande dat de bijstand van appellante met ingang van 17 september 2013 wordt ingetrokken.

1.4.

Bij besluit van 14 april 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen de besluiten van 24 oktober 2013 en 27 januari 2014 ongegrond verklaard. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante vanaf 17 september 2013 niet meer woonachtig was op het uitkeringsadres. Door daarvan geen melding te maken aan het college, heeft appellante de inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, samengevat, aangevoerd dat zij wel woonde op het uitkeringsadres.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 17 september 2013 tot en met 27 januari 2014.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Hieruit volgt dat het college in dit geval aannemelijk dient te maken dat appellante in de te beoordelen periode niet woonde op het uitkeringsadres en dat zij daarvan ten onrechte geen melding heeft gemaakt bij het college.

4.3.

Het college heeft zijn standpunt dat appellante in de te beoordelen periode feitelijk niet woonde op het uitkeringsadres overwegend gebaseerd op de constatering dat appellante bij vijftien pogingen tot het afleggen van een huisbezoek niet op aanbellen reageerde en op de verklaringen van twee buurtbewoners van het uitkeringsadres.

4.4.

Appellante voert terecht aan dat gerede twijfel bestaat omtrent de juistheid van de onderzoeksgegevens. In de rapportage van 14 oktober 2013 staat dat veertien van de vijftien pogingen tot het afleggen van een huisbezoek hebben plaatsgevonden aan het adres [adres 2] terwijl appellante te kennen heeft gegeven te wonen op het adres [adres 1] . Het college kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat hier telkens sprake is van een kennelijke verschrijving. Het gaat hier niet om een verschil in een enkel cijfer maar om een volledig ander huisnummer. Zoals de gemachtigde van het college ter zitting heeft bevestigd, heeft het college ook onderzoek verricht naar de woonsituatie en het recht op bijstand van de bewoner van het adres [adres 2] . Wel kan worden aangenomen dat de bijzonder controleurs op

30 september 2013 bij het uitkeringsadres hebben aangebeld, aangezien zij op die datum de bewoner van [adres 3] hebben gesproken, maar gelet op de nabijheid van beide, in een galerijflat gelegen, woningen valt niet uit te sluiten dat deze adressen op enig moment met elkaar verward zijn. Dit geldt temeer nu in het onderzoeksrapport wordt gesproken van gordijnen die voor een raam aan het uitkeringsadres hangen, terwijl appellante heeft verklaard dat hier luxaflex hangt. Weliswaar is de woning van appellante gelegen op de zesde etage van een galerijflat en is het vanaf de begane grond lastig waar te nemen of er luxaflex of gordijnen voor het raam hangen, maar in verband met het horen van buurtbewoners zijn de bijzonder controleurs ook op de galerij geweest waaraan het uitkeringsadres gelegen was. Bij het voorgaande tekent de Raad overigens aan dat het enkele feit dat diverse keren op verschillende tijdstippen overdag bij het uitkeringsadres zonder resultaat is aangebeld, niet voldoende zou zijn om aan te nemen dat de betrokkene feitelijk niet (meer) op het adres woont. Daarvoor zijn meer feitelijke bevindingen nodig, waarbij kan worden gedacht aan het resultaat van verrichte observaties met betrekking tot de komst of het vertrek van de betrokkene naar, onderscheidenlijk vanuit, dat adres of het al dan niet branden van licht in de woning in de avonduren.

4.5.

De rechtbank heeft op goede gronden overwogen dat aan de verklaring van de bewoner van [adres 3] (buurman) niet de waarde kan worden toegekend die het college aan die verklaring toegekend wenst te zien. Deze buurman heeft verklaard dat hij, na een verblijf van vier maanden elders, sinds twee dagen terug was in zijn woning en dat hij van buren had gehoord dat appellante sinds ruim twee maanden niet meer op het uitkeringsadres verbleef. De buurman heeft dan ook niet uit eigen wetenschap over de woonsituatie van appellante verklaard, maar heeft wat hij over de afwezigheid van appellante heeft verklaard ‘van horen zeggen’. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, biedt ook de verklaring van de bewoonster van [adres 4] (buurvrouw) onvoldoende grondslag voor de stelling dat appellante niet woonde op het uitkeringsadres. De buurvrouw verklaarde dat sinds twee maanden niemand meer op het uitkeringsadres woonde, dat appellante en haar vriend nog eens in de twee weken langskwamen op het uitkeringsadres en dat zij dit kan weten omdat zij altijd thuis is. Deze verklaring geeft onvoldoende blijk van de redenen van wetenschap van de buurvrouw. Appellante heeft ter zitting naar voren gebracht dat haar woning en de woning van de buurvrouw zo ten opzichte van de toegangsdeur tot de galerij zijn gepositioneerd dat appellante niet langs de woning van de buurvrouw loopt wanneer zij de galerij verlaat en dat de buurvrouw geen zicht heeft op de woning van appellante. Dit is niet door het college bestreden.

4.6.

Ook de overige onderzoeksbevindingen ‒ de afwezigheid van de auto van appellante in de nabijheid van de woning en het niet verschijnen op een uitnodiging voor een gesprek op het gemeentehuis ‒ bieden op zichzelf, noch in samenhang bezien een toereikende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellante in de te beoordelen periode niet woonde op het uitkeringsadres.

4.7.

Het college heeft bovendien ten onrechte geen gewicht toegekend aan het door appellante ingebrachte tegenbewijs, waaronder verklaringen van buurtbewoners van het uitkeringsadres, en van Z, en een overzicht van de in de te beoordelen periode door appellante in de buurt verrichte pinbetalingen. Met het standpunt van het college dat dit tegenbewijs niet overeenkwam met de eigen bevindingen en dat anderen de pinbetalingen voor appellante hebben kunnen doen, is dit tegenbewijs onvoldoende daadkrachtig weerlegd.

4.8.

Uit 4.4 tot en met 4.7 volgt dat onvoldoende concrete gegevens voorhanden zijn om te kunnen vaststellen dat appellante niet op het uitkeringsadres woonde. Daarom is onvoldoende feitelijke grondslag aanwezig om over de te beoordelen periode schending van de inlichtingenverplichting aan te nemen. Dit betekent dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. De rechtbank heeft dat niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

4.9.

Vervolgens moet worden bezien welk vervolg hieraan moet worden gegeven. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen in dit geval niet in stand worden gelaten en de Raad beschikt over onvoldoende gegevens om zelf in de zaak te voorzien. Het college heeft ter zitting van de Raad naar voren gebracht dat betwijfeld wordt of appellante in de periode in geding als alleenstaande kan worden aangemerkt. Hier wil het college nader onderzoek naar verrichten. Om die reden zal geen toepassing gegeven worden aan de zogeheten bestuurlijke lus. De Raad zal het college daarom opdragen om met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil ziet de Raad verder aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij hem beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de kosten van appellante. De kosten worden begroot op € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 14 april 2014;

- draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen de besluiten van

24 oktober 2013 en 27 januari 2014 en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de

Raad kan worden ingesteld;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.984,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 167,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en G.M.G. Hink en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2016.

(getekend) M. Hillen

(getekend) B. Fotchind

HD