Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2107

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
14/5457 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag. Bewijslast aanvrager. Bijstandbehoevende omstandigheden niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5457 WWB

Datum uitspraak: 7 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

1 september 2014, 14/180 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. S. Smeets, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2016. Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. R.M.M. Menting, kantoorgenoot van mr. Smeets. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W. Venderbos en mr. T.J.M.S. Willems.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten hebben zich op 17 juni 2013 gemeld om bijstand aan te vragen. Op 2 juli 2013 hebben zij de aanvraag ingediend. Voorafgaande aan de aanvraag heeft appellant een [bedrijf] (bedrijf) gehad. Vanaf 17 juni 2013 staat het bedrijf niet meer ingeschreven in de KvK.

1.2.

In het kader van de aanvraag heeft het college appellanten meermaals om diverse stukken verzocht, waaronder de boekhouding van het bedrijf, bewijsstukken met betrekking tot stortingen op eigen rekening, bewijsstukken met betrekking tot de verkoop van een auto (Mercedes) en een aanhanger, een schriftelijke verklaring over hoe appellanten hebben voorzien in hun levensonderhoud, gegevens over verkochte sieraden en bewijsstukken met betrekking tot de verkoop van andere bezittingen van appellanten alsmede belastingaangiften en belastingaanslagen over de jaren 2011 tot en met 2013.

1.3.

Bij besluit van 30 augustus 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 december 2013 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag om bijstand van appellanten afgewezen op de grond dat zij onvoldoende gegevens hebben verstrekt inzake hun financiële situatie ten tijde van de aanvraag en de daaraan voorafgaande periode als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.4.

Na een nieuwe aanvraag heeft het college appellanten met ingang van 2 september 2013 bijstand verleend naar de norm voor gehuwden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellanten hebben betoogd dat zij afdoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij geen inkomen of vermogen hebben. Zij hadden dreigende schulden in verband waarmee zij genoodzaakt waren hun sieraden, auto (Mercedes) en andere goederen te verkopen. Meer gegevens dan zij in verband daarmee hebben overgelegd, zijn er niet. Appellanten kunnen evenmin beschikken over de administratie van het bedrijf, omdat de vader van appellant de administratie van het bedrijf heeft gedaan en zijn ex-partner alles heeft weggegooid.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op aanvraag. Dit betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 17 juni 2013 tot en met 30 augustus 2013.

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven over onder meer zijn inkomenssituatie, zo nodig ook over de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag, omdat deze gegevens van essentieel belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de aanvrager niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Anders dan appellanten menen, hebben zij niet duidelijk gemaakt dat zij in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden.

4.3.1.

De aanleiding van de aanvraag om bijstand is blijkens het aanvraagformulier gelegen in de beëindiging van het bedrijf met ingang van 17 juni 2013. Inzage in de administratie van het bedrijf is dan, anders dan appellanten hebben aangevoerd, noodzakelijk voor de beoordeling van het recht op bijstand. Dit klemt temeer nu appellanten op het aanvraagformulier hebben vermeld dat zij tot dan toe hebben geleefd van inkomen uit het bedrijf, dat weinig werk voorhanden was en dat zij niet rond konden komen van de inkomsten uit het bedrijf en daarom genoodzaakt waren het bedrijf te beëindigen. Over het ontbreken van de administratie hebben appellant en zijn vader wisselende verklaringen afgelegd. Dat appellanten niet beschikken over de door het college gevraagde financiële gegevens van het bedrijf moet, gelet op wat onder 4.2 is overwogen, voor hun rekening en risico komen.

4.3.2.

Ook anderszins is onduidelijk gebleven waar appellanten van hebben geleefd. Appellanten hebben verklaard dat zij in hun levensonderhoud hebben voorzien door in aanvulling op de inkomsten uit het bedrijf bezittingen, waaronder sieraden en een auto (Mercedes), te verkopen. Op de bankrekening van appellanten zijn meerdere kasstortingen van bedragen, variërend van € 10,- op 11 juni 2013 tot € 1.050,- op 4 februari 2013, ontvangen. Blijkens een zich onder de gedingstukken bevindend overzicht van verpande sieraden, hebben appellanten in juni en juli 2012 sieraden beleend. De daarvoor ontvangen bedragen zijn evenwel niet te relateren aan de op hun bankrekening gestorte bedragen. Met betrekking tot de verkochte auto (Mercedes) hebben appellanten weliswaar een vrijwaringsbewijs overgelegd, maar dat de auto is verkocht voor € 4.900,-, zoals appellanten stellen, is daarmee niet aangetoond. Ook dit bedrag is in de tijd en omvang niet te relateren aan de op de bankrekening van appellanten gestorte bedragen. Dat appellanten andere goederen hebben verkocht om in hun levensonderhoud te voorzien, hebben zij ten slotte niet aangetoond.

4.4.

Gelet op 4.3.1 en 4.3.2 hebben appellanten niet voldaan aan de op hen rustende inlichtingenverplichting met als gevolg dat hun financiële situatie in de te beoordelen periode onduidelijk is gebleven. Die onduidelijkheid hebben appellanten ook in hoger beroep niet kunnen wegnemen. Als gevolg hiervan is het recht op bijstand in de te beoordelen periode niet vast te stellen.

4.5.

Ter zitting van de Raad hebben appellanten nog naar voren gebracht dat aan hen, na een nieuwe aanvraag om bijstand, met ingang van 2 september 2013 bijstand is toegekend. In dat kader hebben zij de bedrijfsgegevens ook niet kunnen aanleveren. Kennelijk is dat voor het college toen geen punt geweest en de vraag doet zich daarom voor waarom dat bij de eerdere aanvraag wel het geval is geweest.

4.5.1.

Dit leidt niet tot een ander oordeel. Uit de door het college overgelegde stukken met betrekking tot de nieuwe aanvraag blijkt dat het college op basis van de toen beschikbare gegevens, waaruit betalingsmoeilijkheden en oplopende schulden van appellanten bleken, heeft geconcludeerd dat weliswaar niet alle gevraagde gegevens voorhanden waren, maar dat wel kon worden aangenomen dat appellanten inmiddels in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en G.M.G. Hink en C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 juni 2016.

(getekend) M. Hillen

(getekend) B. Fotchind

HD