Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2105

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
06-06-2016
Datum publicatie
10-06-2016
Zaaknummer
12/4213 AWBZ-W
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om wraking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2016/238
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4213 AWBZ-W, 14/4987 AWBZ-W

Datum uitspraak: 6 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door

[verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. J.W.F. Menick, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 2 juli 2012, 11/6498, in het geding tussen verzoeker en het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ).

Op 7 mei 2014 heeft een meervoudige kamer van de Raad, bestaande uit mrs. R.M. van Male, A.J. Schaap en W.H. Bel, in het onderhavige hoger beroep een tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2014:1538) gedaan. CIZ heeft ter uitvoering van die uitspraak op

9 juli 2014 een besluit genomen. Op 25 februari 2015 heeft een voortgezette behandeling van het hoger beroep ter zitting plaatsgevonden door een meervoudige kamer bestaande uit

mrs. Van Male, Schaap en M.F. Wagner.

Onder meer bij brief van 23 oktober 2015 heeft de Raad aan CIZ aanvullende vragen gesteld. CIZ heeft hier bij brief van 22 januari 2016 op gereageerd.

De Raad heeft de gemachtigde van verzoeker bij brief van 3 februari 2016 verzocht om te reageren op de brief van CIZ van 22 januari 2016. Hierbij is vermeld: “Daarbij wordt u ook verzocht om in te gaan op hetgeen door CIZ is opgemerkt met betrekking tot de overgang van de functie begeleiding naar de gemeenten per 1 januari 2015. Is aan appellant op grond van de Wmo 2015 door de gemeente begeleiding toegekend? Zo ja, met welke omvang en per wanneer? U wordt in dit verband tevens verzocht in te gaan op het procesbelang bij het onderhavige hoger beroep van appellant.”

Bij brief van 15 maart 2016 heeft verzoeker een verzoek om wraking ingediend. Dit verzoek is door de Raad opgevat als een verzoek om wraking van mrs. Van Male, Schaap en Wagner (de behandelend rechters).

De behandelend rechters hebben schriftelijk meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Verzoeker en de behandelend rechters zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van 30 mei 2016. Namens verzoeker is verschenen mr. Menick. De behandelend rechters zijn, zoals aangekondigd, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uit de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb blijkt dat de ratio van het instituut van wraking is gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.

2. Verzoeker heeft aan het verzoek om wraking het volgende ten grondslag gelegd. Over de periode vanaf 1 januari 2015 heeft hij geen persoonsgebonden budget ontvangen en mede daarom heeft hij een procesbelang bij het onderhavige hoger beroep. CIZ heeft geen uitvoering gegeven aan uitspraken van de rechtbank Haarlem van 8 augustus 2011 en

19 januari 2012, en heeft zich laten adviseren door artsen die verzoeker nooit hebben gezien. De Raad ondersteunt CIZ hierin. Dit blijkt uit de uitspraak van 7 mei 2014, waarin de Raad met CIZ is meegegaan wat betreft de afwijzing van de door verzoeker aangevraagde vervoersvoorziening.

3.1.

Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechters die de zaak behandelen. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient verder het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).

3.2.

In het onderhavige hoger beroep is op 7 mei 2014 een tussenuitspraak gedaan door een meervoudige kamer waarvan mrs. Van Male en Schaap deel uitmaakten. Dat verzoeker het met deze tussenuitspraak niet geheel eens is, is geen reden voor toewijzing van het wrakingsverzoek ten aanzien van mrs. Van Male en Schaap. De enkele omstandigheid dat een rechter in een eerdere zaak van de betrokkene een die betrokkene onwelgevallige uitspraak heeft gedaan kan, naar vaste rechtspraak van de Raad, niet worden gerekend tot feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 september 2016, ECLI:NL:CRVB:2015:3155). Er is geen aanleiding om daar bij een gedane tussenuitspraak in dezelfde zaak anders over te oordelen.

3.3.

Bij de in de rubriek procesverloop vermelde brief van 3 februari 2016 zijn aan verzoeker vragen gesteld over de periode vanaf 1 januari 2015 en daarbij is ook een vraag gesteld over het procesbelang van verzoeker bij het hoger beroep. Het stellen van vragen behoort tot de taak van de rechter (zie onder meer de uitspraak van 28 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1417). Uit het enkele feit dat de bedoelde vragen zijn gesteld, kan geen objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid of vooringenomenheid van de behandelend rechters worden afgeleid.

3.4.

Uit 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking van mrs. R.M. van Male,

A.J. Schaap en M.F. Wagner af.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R.E. Bakker als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 juni 2016.

(getekend) M. Greebe

(getekend) B. Fotchind

MK