Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2102

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2016
Datum publicatie
10-06-2016
Zaaknummer
15/783 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WOA-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%. In artikel 6:22 van de Awb is bepaald dat een besluit waartegen bezwaar is gemaakt, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, in stand kan worden gelaten indien aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het onzorgvuldig is van het Uwv om appellante, anders dan was afgesproken, geen voorgenomen beslissing op bezwaar toe te zenden, doch dat deze onzorgvuldigheid in dit geval gepasseerd kon worden met verwijzing naar artikel 6:22 van de Awb, omdat appellante in beroep voldoende gelegenheid heeft gehad op het nieuwe besluit en het onderliggende arbeidskundige rapport te reageren. Appellante heeft, ook in hoger beroep, nagelaten aan te geven waarom zij is benadeeld door de handelwijze van het Uwv. Dit betoog faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0613
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/783 WIA

Datum uitspraak: 3 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

19 december 2014, 14/4687 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.F. Ronday, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Ronday. Tevens is verschenen de werkgever van appellante,

[werkgever] Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Sluijs.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is in 1997 wegens spierklachten uitgevallen voor haar werkzaamheden van ziekenverzorger voor tien uur per week. Per einde wachttijd is appellante in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.

1.2.

Vanaf november 2001 is appellante voor twintig uur per week werkzaam geweest als conciërge/schoolassistente bij [stichting] . Vanaf augustus 2011 is appellante werkzaam bij [stichting] in de functie van administratief medewerkster voor twintig uur per week. De WAO-uitkering van appellante is in 2001 en 2007 onveranderd vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%. Bij de berekening van dit percentage is het in de functie van ziekenverzorger verdiende maatmanloon vergeleken met het gerealiseerde uurloon bij [stichting] , waarbij het aantal bij [stichting] gerealiseerde uren per week is gemaximaliseerd op het aantal maatmanuren als ziekenverzorger.

1.3.

Per 31 mei 2012 is appellante gedeeltelijk uitgevallen voor haar werk bij [stichting] . In januari 2014 heeft appellante per einde wachttijd herkeuring verzocht in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid. Bij besluit van 3 april 2014 heeft het Uwv bepaald dat de

WAO-uitkering van appellante, met toepassing van artikel 44 van de WAO, met ingang van 29 mei 2014 wordt uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55% en deze berekend op € 403,90 bruto per maand.

1.4.

Het bezwaar van appellante is bij besluit van 7 juli 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv weliswaar onzorgvuldig is geweest door, anders dan met appellante tijdens de hoorzitting was afgesproken, geen voorgenomen beslissing naar appellante te sturen, doch dat dit gebrek aan zorgvuldigheid van het Uwv gepasseerd kan worden met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omdat appellante in beroep alsnog de gelegenheid heeft gekregen op het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep en het bestreden besluit te reageren. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv met juistheid, voor de vraag of een maatmanwisseling aan de orde is, bepalend heeft geacht het toetsingskader van artikel 21, derde lid, van de WAO en de daarop gebaseerde rechtspraak van de Raad. In dat kader heeft de rechtbank overwogen dat appellante haar opvolgende functies bij [stichting] is gaan verrichten zonder een duidelijke voorafgaande scholing. De door appellante gevolgde opleidingen kunnen niet aangemerkt worden als opleidingen van enige duur en zwaarte. Tevens zijn enkele door appellante gevolgde opleidingen pas geruime tijd na aanvang van haar werk afgerond. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv terecht geen aanleiding heeft gezien om een maatmanwisseling toe te passen. In de omstandigheid dat het Uwv in beroep de motivering van het bestreden besluit heeft gewijzigd, heeft de rechtbank aanleiding gezien het Uwv te veroordelen tot betaling van de proceskosten van appellante en het Uwv op te dragen het door appellante betaalde griffierecht aan haar te vergoeden.

3. Appellante heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden aangevoerd als in beroep. De besluitvorming is onzorgvuldig geweest omdat het Uwv, in strijd met wat tijdens de hoorzitting was toegezegd, heeft verzuimd om appellante de voorgenomen beslissing op bezwaar toe te zenden. Het bestreden besluit dient om die reden vernietigd te worden. Verder heeft appellante opnieuw betoogd dat aanleiding bestond om een maatmanwisseling toe te passen. Het Uwv heeft ten onrechte het standpunt ingenomen dat appellante niet voldoet aan het criterium van verworven nieuwe bekwaamheden als gevolg van duidelijke scholing. Het standpunt van het Uwv moet gepasseerd worden omdat de beoordeling onzorgvuldig is, nu de bestendige gedragslijn nooit met appellante is gecommuniceerd. Appellante is ook nooit gevraagd naar haar scholingsactiviteiten. Zij heeft zich wel degelijk geschoold voor haar functie conciërge/administratief medewerkster. Er is nooit een scholingseis aan haar gesteld; de benodigde scholing heeft zij op eigen verzoek gevolgd; haar taken werden aangepast aan haar arbeidsmogelijkheden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In artikel 6:22 van de Awb is bepaald dat een besluit waartegen bezwaar is gemaakt, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, in stand kan worden gelaten indien aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen dat het onzorgvuldig is van het Uwv om appellante, anders dan was afgesproken, geen voorgenomen beslissing op bezwaar toe te zenden, doch dat deze onzorgvuldigheid in dit geval gepasseerd kon worden met verwijzing naar artikel 6:22 van de Awb, omdat appellante in beroep voldoende gelegenheid heeft gehad op het nieuwe besluit en het onderliggende arbeidskundige rapport te reageren. Appellante heeft, ook in hoger beroep, nagelaten aan te geven waarom zij is benadeeld door de handelwijze van het Uwv. Dit betoog faalt.

4.2.

Aangaande de maatmanwissel heeft de gemachtigde van het Uwv te kennen gegeven dat het een bestendige gedragslijn hanteert ter uitvoering van artikel 21, derde lid, van de WAO en dat met deze gedragslijn beoogd is de vaste jurisprudentie van de Raad over de toepassing van dit artikellid weer te geven. Het Uwv mocht een beroep doen op deze gedragslijn voor zover daarin is bepaald dat er sprake moet zijn van nieuwe bekwaamheden als gevolg van een duidelijke scholing en dat doorgroeien in een bedrijf zonder scholing, bijvoorbeeld via praktijkervaring, niet voldoet. Anders dan appellante stelt in haar brief van 14 april 2016, was het Uwv niet verplicht appellante voorafgaand aan de in deze procedure voorliggende besluitvorming te informeren over deze gedragslijn. Verder is, in de ook door de rechtbank in de aangevallen uitspraak genoemde vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 april 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3399), bepaald dat bij dit scholingsvereiste primair moet worden gedacht aan nieuwe bekwaamheden, die zijn verworven door het met succes volgen van een opleiding van enige duur en zwaarte.

4.3.

De door appellante gevolgde cursussen beantwoorden onvoldoende aan het in het slot van 4.2 genoemde vereiste. Een deel van de door appellante opgegeven cursussen heeft zij voltooid geruime tijd nadat zij haar werk als administratief medewerkster heeft aangevangen. Deze cursussen kunnen niet meer in verband worden gebracht met het aanvaarden van de nieuwe functie van administratief medewerkster. Verder dienen de (vervolg)opleidingen tussenschoolse opvang eerder in verband gebracht te worden met de aan de functie van administratief medewerkster voorafgaande functie van conciërge/schoolassistente dan met de functie van administratief medewerkster. De cursus Excel heeft appellante ook reeds in 2001 gevolgd, zodat niet gezegd kan worden dat het bij het later (opnieuw) volgen van de cursus of van een herhalings- of vervolgcursus is gegaan om het verwerven van nieuwe bekwaamheden. Tot slot kan van de cursus leerlingenadministratie Parnassys, in aanmerking genomen wat daarover ter zitting naar voren is gekomen, niet gezegd worden dat deze kan gelden als een opleiding van voldoende duur en zwaarte die leidt tot het verwerven van nieuwe bekwaamheden als bedoeld in de onder 4.2 genoemde gedragslijn en rechtspraak. Het voorgaande wordt niet anders in het licht van de ter zitting verkregen informatie van de werkgever van appellante en wordt evenmin anders omdat appellante een proactieve attitude ten aanzien van scholing heeft getoond.

4.4.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en P. Vrolijk als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2016.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) L.L. van den IJssel

MO