Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2098

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
15-1311 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Zorgvuldig onderzoek verzekeringsartsen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0617
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1311 ZW

Datum uitspraak: 1 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

9 januari 2015, 14/7934 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. G.A.S. Maduro, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Maduro. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.H.M. Visser.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is via een uitzendbureau werkzaam geweest als kassière/verkoopster. Na afloop van het dienstverband heeft zij zich met ingang van 10 oktober 2013 ziek gemeld wegens nek- en rugklachten. Na een onderzoek door een verzekeringsarts is bij besluit van

7 november 2013 vastgesteld dat appellante met ingang van 10 oktober 2013, dan wel met ingang van 8 november 2013 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW), omdat zij geschikt werd geacht voor haar eigen werk. Het door appellante tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 6 januari 2014 ongegrond verklaard. Het door haar tegen dat besluit ingestelde beroep is naderhand ingetrokken.

1.2.

Op 24 januari 2014 heeft appellante zich, terwijl zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, wederom ziek gemeld wegens toegenomen nek-en rugklachten. Op 5 maart 2014 heeft zij het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft appellante per 24 januari 2014, dan wel per 5 maart 2014 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 6 maart 2014 vastgesteld dat appellante vanaf 24 januari 2014, dan wel 5 maart 2014 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 16 juli 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 juli 2014 ten grondslag.

2. In beroep heeft appellante gesteld dat zij meer beperkingen heeft en dat zij ten onrechte geschikt is geacht voor haar eigen werk.

3. In de aangevallen uitspraak is de rechtbank, onder verwijzing naar artikel 19 van de ZW, tot de conclusie gekomen dat appellante met ingang van 24 januari 2014 terecht geschikt is geacht voor haar eigen werk. De rechtbank heeft geen aanleiding gevonden het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. Voorts is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat uit de onderzoeken door de verzekeringsartsen voldoende gegevens naar voren zijn gekomen om tot een afgewogen oordeel te komen omtrent de voor appellante geldende beperkingen. Daarbij is in overweging genomen dat de verzekeringsarts op basis van eigen onderzoek en beschikbare medische gegevens geen objectiveerbare beperkingen heeft kunnen vaststellen die belemmeren dat appellante haar eigen werk verricht en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep deze conclusie heeft onderschreven. De laatstgenoemde arts heeft daaraan toegevoegd dat appellante is aangewezen op normale leefregels zoals die gelden bij chronische rug- en nekklachten. Zij dient te zorgen voor enige afwisseling in houding en dient extremen in rug- en nekbelasting te voorkomen. Het eigen werk past daarin prima, aldus deze arts. Voorts is overwogen dat van de kant van appellante geen (nadere) medische informatie in geding is gebracht op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de juistheid van de beoordeling door de verzekeringsartsen. Op de door appellante in beroep overgelegde informatie van de neuroloog is reeds afdoende gereageerd door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 7 juli 2014. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

4.1.

In hoger beroep heeft appellante de verschillende overwegingen van de rechtbank en de daaraan verbonden conclusies bestreden. Voorts heeft zij verzocht een deskundige in te schakelen.

4.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

5. De Raad komt tot het volgende oordeel.

5.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot verrichten van arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

5.2.

Het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsartsen een zorgvuldig onderzoek hebben ingesteld naar de medische situatie van appellante ten tijde hier in geding wordt onderschreven. Zowel de verzekeringsarts als de verzekeringsarts bezwaar en beroep hebben appellante gezien en hebben bij hun beoordeling de beschikking gehad over informatie uit de behandelend sector. Het oordeel van de rechtbank dat de verzekeringsartsen de beperkingen van appellante juist hebben ingeschat en dat zij geschikt moet worden geacht voor haar eigen werk wordt eveneens onderschreven. Daartoe wordt overwogen dat de rug- en nekklachten van appellante niet terug te voeren zijn op objectieve afwijkingen. Geoordeeld wordt dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 7 juli 2014 op overtuigende wijze heeft uiteengezet dat appellante geschikt moet worden geacht voor haar eigen werk. Appellante wordt daarom niet gevolgd in haar stelling dat de conclusies van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen niet juist zijn geweest. Dit betekent dat voor het inschakelen van een deskundige geen aanleiding wordt gezien.

5.2.

Gelet op wat is overwogen in 5.1 en 5.2 moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) M.S.E.S. Umans

UM