Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2094

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
10-06-2016
Zaaknummer
14-5324 WSFBSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Deze uitspraak is gerectificeerd met ECLI:NL:CRVB:2016:3436. De gerectificeerde tekst is opgenomen in ECLI:NL:CRVB:2016:3433, onderstaande tekst is niet meer geldig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2016/121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5324 WSFBSF en 14/6108 WSFBSF

Datum uitspraak: 1 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

9 september 2014, 13/3166 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.L.O. van de Waarsenburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Mr. Van de Waarsenburg heeft een zienswijze ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2015. Appellant en

mr. Van de Waarsenburg zijn verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant stond in 2011 in de gemeentelijke basisadministratie personen (gba) ingeschreven onder het adres [adres 1] te [woonplaats] . Per 1 april 2012 staat hij ingeschreven onder het adres [adres 2] te [woonplaats] .

1.2.

Appellant volgt een MBO-studie voor onderwijsassistent. Appellant heeft bij besluit van 3 september 2011 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend gekregen met ingang van 1 september 2011 en berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende. Bij besluit van 22 oktober 2011 is deze toekenning voor het jaar 2012 voortgezet.

1.3.

Op 20 november 2012 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Daartoe is onder meer een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder hij op dat moment in de basis registratie personen (brp) was ingeschreven om te controleren of hij op dit adres woont. In de desbetreffende woning is onderzoek gedaan en is een verklaring van een van de bewoners, [naam A] , opgenomen. Van het onderzoek is op 23 november 2012 een rapport opgemaakt. In dat rapport is de situatie beschreven zoals de controleurs die tijdens het bezoek hebben aangetroffen. Daarbij is vermeld dat [A] heeft verklaard dat appellant, haar neef, sinds april 2012 bij haar woont, dat op de getoonde kamer kleding van appellant en haar zoon aanwezig is, dat appellant geen huur betaalt, dat hij over een huissleutel beschikt en elke dag in haar woning slaapt en dat de aangetroffen computer van haar zoon is. In de getoonde kamer waren persoonlijke documenten op naam van de zoon van [A] en twee studieboeken voor de opleiding onderwijsassistent. In de woonkamer hebben de controleurs ongeopende brieven van diverse instanties aangetroffen, gericht aan appellant. Aansluitend hebben de controleurs een bezoek gebracht op het adres van de ouders van appellant. Daar werden zij niet binnengelaten. Bij buurtonderzoek hebben twee buurtbewoners verklaard dat de gezinssamenstelling op het adres van de ouders de afgelopen jaren niet was veranderd. De buurtbewoners hebben hun verklaring niet ondertekend.

1.4.

Bij besluit van 14 december 2012 heeft de minister, op basis van het onder 1.3 genoemde rapport, de aan appellant toegekende studiefinanciering herzien, in die zin dat appellant vanaf 1 april 2012 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het aan appellant tot en met november 2012 te veel betaalde bedrag van € 1.524,32, is daarbij van hem teruggevorderd.

1.5.

Op 20 december 2012 heeft de minister aan appellant meegedeeld voornemens te zijn hem een bestuurlijke boete op te leggen van € 762,16.

1.6.

Bij besluit van 22 januari 2013 heeft de minister aan appellant een bestuurlijke boete opgelegd van € 762,16.

1.7.

Bij besluit van 4 maart 2013 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 december 2012 niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend en er geen redenen zijn om de overschrijding van de bezwaartermijn verschoonbaar te achten. Het bezwaar van appellant tegen het besluit van

22 januari 2013 is daarbij ongegrond verklaard, omdat uit het onderzoek op het brp-adres is gebleken dat hij niet op dat adres woonde, het besluit van 14 december 2012 onherroepelijk vast staat en er geen reden is de boete te matigen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met verwijzing naar artikel 2:13 en volgende van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de beschreven werkwijze bij het bekendmaken van berichten, geoordeeld dat de minister het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 oktober 2012 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat de minister zich kennelijk heeft gebaseerd op een indruk van de controleurs, maar dat hun bevindingen niet zonder nader onderzoek de conclusie kunnen dragen dat appellant niet op het brp-adres woonde. De minister heeft onvoldoende bewijs geleverd voor het opleggen van de bestuurlijke boete.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep betwist dat hij het bericht van 14 december 2012 op of rond die datum heeft ontvangen en gesteld dat dat bericht geen rechtsmiddelverwijzing bevatte.

3.2.

De minister heeft in hoger beroep aangevoerd dat de bevindingen uit het huisbezoek wel voldoende bewijs leveren voor het opleggen van een boete. De aanwezigheid van aan appellant geadresseerde poststukken is een logisch gevolg van het feit dat instanties steeds het brp-adres hanteren. Voorts acht de minister van belang dat appellant niet het onomstotelijk bewijs heeft geleverd dat appellant voor het herzieningsbesluit wel op het brp-adres heeft gewoond.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Wat betreft de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van appellant tegen het herzieningsbesluit van 14 november 2012 overweegt de Raad het volgende. Uit hetgeen de minister heeft overgelegd blijkt dat appellant heeft gekozen voor de digitale bekendmaking van de berichten studiefinanciering. In zijn uitspraak van 7 augustus 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1216, heeft de Raad vastgesteld dat elektronische berichtgeving door de minister plaatsvindt via de website ‘Mijn IB-Groep’ (thans ‘Mijn DUO’). Van dit systeem voor gegevensverwerking wordt zowel door de minister als door de studerende gebruik gemaakt. Ingevolge artikel 2:17, eerste lid, van de Awb geldt als het tijdstip waarop een bericht studiefinanciering door de minister elektronisch is verzonden, het tijdstip waarop dit bericht is geplaatst op Mijn IB-Groep’ of ‘Mijn DUO’. Op dat moment is het bericht studiefinanciering te raadplegen door appellant en is het dus toegankelijk voor de geadresseerde als bepaald in artikel 2:17, eerste lid, van de Awb. Ingevolge artikel 6:8 van de Awb vangt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift tegen een bericht studiefinanciering (dat kan worden gekwalificeerd als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zoals in het onderhavige geval) aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt, derhalve met ingang van de dag na plaatsing ervan op de website. De minister heeft de plaatsing van het besluit van 14 december 2012 met toelichting op de website “Mijn DUO” op 17 december 2012 aannemelijk gemaakt. De bezwaartermijn liep van 18 december 2012 tot en met 27 januari 2013. Het bezwaarschrift is ingediend op 4 maart 2013. Het bezwaarschrift is te laat ingediend en ook van een verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn is geen sprake.

4.2.1.

Voor het toetsingskader bij een boete als de onderhavige, alsmede de hoogte daarvan, verwijst de Raad naar zijn uitspraken van heden ECLI:NL:CRVB:2016:1877, en ECLI:NL:CRVB:2016:1878.

4.2.2.

De minister heeft zich voor de vaststelling van de feiten gebaseerd op het in 1.3 bedoelde rapport. In dit rapport hebben de controleurs weliswaar de conclusie getrokken dat appellant niet woonde op het gba-adres, doch uit de in het rapport vermelde waarnemingen volgt dit niet zonder meer. Van een situatie waarin volstrekt duidelijk is dat appellant niet op het brp-adres woont omdat elk spoor van zijn bewoning ontbreekt is geen sprake. Er zijn onder meer studieboeken van de door appellant gevolgde opleiding aangetroffen. [A] heeft verklaard dat op de als kamer van appellant getoonde kamer kleding van appellant aanwezig was, dat appellant over een huissleutel beschikt en dat appellant elke dag slaapt in de getoonde kamer. In het rapport is niet vermeld uit welke waarnemingen volgt dat de aanwezige kleding niet van appellant is, de studieboeken niet recent en van appellant zijn en de verklaring van [A] onjuist moet zijn. Het in het rapport vermelde dat er niets op de als van appellant getoonde kamer is aangetroffen waardoor de indruk ontstond dat deze in gebruik was bij appellant, is geen waarneming als in de voorgaande zin omschreven. Onder deze omstandigheden heeft de minister niet aangetoond dat appellant ten tijde van de controle niet woonde op zijn brp-adres en heeft hij mitsdien niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast als bedoeld in de overweging 7.1 van de onder 4.2.1 genoemde uitspraken.

5. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt, evenmin als het incidenteel hoger beroep van de minister. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten van appellant bestaat aanleiding ter zake van het indienen van een schriftelijke zienswijze door appellant en het verschijnen ter zitting, uitkomende op een bedrag van € 992,- (twee proceshandelingen á € 496,-).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 992,-;

- bepaalt dat van de minister een griffierecht wordt geheven van € 493,-.

Deze uitspraak is gedaan door H.J. de Mooij als voorzitter en J. Brand en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016.

(getekend) H.J. Mooij

(getekend) L.L. van den IJssel

MO