Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2092

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
10-06-2016
Zaaknummer
15-181 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0618
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/181 ZW

Datum uitspraak: 1 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

5 december 2014, 14/1891 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft H.J.A. Aerts, advocaat, hoger beroep ingesteld en om schadevergoeding verzocht.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2016. Appellant is, met kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.J.M.H. Lagerwaard.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, voorheen werkzaam als magazijnmedewerker, heeft zich op

7 maart 2011 ziek gemeld wegens rugklachten. Bij besluit van 6 februari 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van 4 maart 2013 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Bij besluit van 11 april 2013 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 4 maart 2013 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend.

1.2.

Vanuit laatstgenoemde uitkeringssituatie heeft appellant zich op 13 januari 2014 ziek gemeld wegens toegenomen rugklachten en psychische klachten. Naar aanleiding van deze ziekmelding is aan appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.3.

Bij besluit van 13 februari 2014 heeft het Uwv het recht op ZW-uitkering van appellant met ingang van 13 februari 2014 beëindigd, omdat hij per die datum geschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van

8 mei 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze en volledig heeft plaatsgevonden. De rechtbank kan de verzekeringsarts bezwaar en beroep volgen in zijn betoog dat de in de brief van 12 mei 2014 door GZ-psycholoog M. Hanssen beschreven observaties onvoldoende zijn om te vermoeden dat bij appellant sprake is van (arbeids)beperkingen als gevolg van een depressieve of andere psychiatrische stoornis. Appellant moet volgens de rechtbank op

13 februari 2014 medisch gezien in staat worden geacht de eerder voor hem geselecteerde functies te vervullen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij op en na 13 februari 2014 zodanige lichamelijke en psychische beperkingen ondervindt dat hij niet in staat is tot het verrichten van zijn maatgevende arbeid. Daarbij verwijst appellant naar de brief van revalidatie-arts

K. van Weert van 28 januari 2014 en de brieven van GZ-psycholoog M. Hanssen van

12 mei 2014, 2 december 2014 en 22 maart 2016.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet WIA. Voor appellant zijn dit de in 2013 bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies van samensteller metaalwaren (SBC 264140), wikkelaar, samensteller elektronische apparatuur (SBC 267050) en productiemedewerker (samenstellen van producten) (SBC 111180). Zoals de Raad reeds vaker heeft beslist gaat het daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteld verklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

4.2.

Op grond van de beschikbare gegevens en mede gelet op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 april 2014 is afdoende door het Uwv gemotiveerd dat appellant fysieke beperkingen had op grond van rugklachten, maar dat deze beperkingen geen belemmering vormden voor appellant om de maatgevende arbeid te verrichten. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 13 oktober 2014, in reactie op de in beroep door appellant overgelegde brieven van revalidatie-arts Van Weert van 28 januari 2014 en van psycholoog Hanssen van 12 mei 2014, wordt gevolgd in zijn oordeel dat de diagnose depressieve stoornis niet wordt onderbouwd. Daarbij is van belang dat zowel de revalidatie-arts als de psycholoog de behandeling richten op bewegingsangst. De in hoger beroep overgelegde brief van psycholoog Hanssen van

2 december 2014 is geen reden voor een ander oordeel. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 7 maart 2016 in reactie op laatstgenoemde brief inzichtelijk uiteengezet dat de psychische klachten van appellant niet tot beperkingen leiden. Evenmin werpt de brief van 22 maart 2016 een ander licht op de zaak. Over deze brief, die kennelijk is opgesteld door psycholoog Hanssen, heeft de gemachtigde van het Uwv ter zitting vermeld dat deze brief niets zegt over de beperkingen van appellant op de in deze zaak in geding zijnde datum, 13 februari 2014. De Raad ziet geen aanleiding daarover anders te oordelen.

4.3.

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Bij deze uitspraak is voor een veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente geen grond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat evenmin aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van wettelijke rente af.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016.

(getekend) E. Dijt

(getekend) N. van Rooijen

MO