Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2088

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2016
Datum publicatie
08-06-2016
Zaaknummer
15-5844 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft niet aannemelijk gemaakt dat met ingang van 14 maart 2010 ten onrechte uitkering is verstrekt aan appellante. Niet voldoende is onderbouwd dat vanaf die datum ten gevolge van de schending van de inlichtingenplicht het recht op uitkering niet is vast te stellen. Hieruit volgt dat niet aan de voorwaarden om met terugwerkende kracht tot intrekking te besluiten is voldaan. Vernietiging uitspraak. Vernietiging besluit. Gelet op de omvang van de door het Uwv verrichte onderzoeken en het tijdsverloop, wordt het Uwv niet opnieuw in de gelegenheid gesteld opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante. De Raad zal het besluit van 14 juli 2014 herroepen. Gelet op het voorgaande behoeven de door appellante aangevoerde gronden over de processuele houding van het Uwv geen bespreking meer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0608
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5844 WIA

Datum uitspraak: 3 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

17 juli 2015, 14/4303 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 maart 2016. De zaak is gevoegd behandeld met de zaak 14/5893 WIA. Appellante is verschenen, bijgestaan door

mr. Molenaar. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.M.C. Beijen. In deze zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is met ingang van 14 maart 2010 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).

1.2.

Na een interne melding in november 2013, over een aan het Uwv niet gemelde inschrijving van appellante als zelfstandig ondernemer in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, is het Uwv een onderzoek gestart. Op grond van de resultaten van dit onderzoek, neergelegd in een rapport van 2 januari 2014, heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante werkzaamheden heeft verricht voor [VOF] en [bedrijf] , maar dat appellante op de door de inspecteur gestelde vragen over deze werkzaamheden geen antwoorden heeft gegeven. Omdat appellante geen informatie heeft gegeven over haar werkzaamheden, kan het Uwv niet vaststellen of appellante recht heeft op een WIA-uitkering.

1.3.

Bij besluit van 14 juli 2014 heeft het Uwv het recht van appellante op een WIA-uitkering met ingang van 14 maart 2010 ingetrokken, omdat het Uwv niet kan vaststellen of appellante vanaf die datum recht heeft op een WIA-uitkering. Tevens heeft het Uwv bij dat besluit over de periode van 14 maart 2010 tot 1 juli 2014 een bedrag van € 60.773,82 aan ten onrechte aan appellante betaalde WIA-uitkering van haar teruggevorderd. Bij besluit van 6 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 juli 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden door het Uwv niet te informeren over de inschrijving bij de Kamer van Koophandel als zelfstandige. De bevindingen uit het ingestelde onderzoek vormen een aanwijzing dat appellante als zelfstandige werkzaamheden heeft verricht. Appellante heeft op de meeste vragen met betrekking tot haar betrokkenheid bij [VOF] en [bedrijf] geen antwoord gegeven. Appellante gaf aan geen antwoord te kunnen of willen geven. Door de schending van de inlichtingenplicht is het recht van appellante op een WIA-uitkering over de in geding zijnde periode niet (meer) vast te stellen. Dat rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank in dit geval een intrekking met terugwerkende kracht als bedoeld in artikel 76 van de Wet WIA.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep het standpunt gehandhaafd dat het Uwv ten onrechte haar WIA-uitkering met terugwerkende kracht, met ingang van 14 maart 2010, heeft ingetrokken. Zij stelt – kort gezegd – dat zij voldoende en toereikende antwoorden heeft gegeven op de haar gestelde vragen. Zij heeft ontkend werkzaamheden te hebben verricht. Verder heeft zij een groot aantal gronden aangevoerd over de processuele aanpak door het Uwv in deze procedure.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

Op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA moet een verzekerde, die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of recht heeft op een uitkering op grond van deze wet, op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie verstrekken, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte of de betaling daarvan.

4.1.2.

In artikel 76, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA is, voor zover in deze zaak van belang, bepaald dat het Uwv een beschikking op grond van deze wet herziet of intrekt indien als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van artikel 27 het recht op een uitkering op grond van deze wet niet meer kan worden vastgesteld.

4.1.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:2844) is intrekking of herziening van een uitkering met terugwerkende kracht in het algemeen in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Slechts in uitzonderingsgevallen is van strijd met dat beginsel geen sprake. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan gevallen waarin het toekennen en/of het ongewijzigd voortzetten van de uitkering mede het gevolg is geweest van onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de betrokkene, terwijl de uitvoeringsinstelling een andere (minder gunstige) beslissing zou hebben genomen indien zij destijds wel de juiste feiten had gekend.

4.1.4.

Bij een belastend besluit tot intrekking of herziening met terugwerkende kracht, rust op het Uwv de verplichting om niet alleen de feiten te stellen waarop hij het bestreden besluit doet steunen, maar ook – in geval van betwisting – om die feiten aannemelijk te maken

(zie ook ECLI:NL:CRVB:2015:1295 en ECLI:NL:CRVB:2015:2844).

4.2.

Met de rechtbank moet worden vastgesteld dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA heeft geschonden, doordat zij bij haar aanvraag om een WIA-uitkering op 15 oktober 2009 geen opgave heeft gedaan van haar inschrijving als zelfstandige bij de Kamer van Koophandel vanaf 19 oktober 2007. Het geding spitst zich toe op de vraag of deze schending tot gevolg heeft dat het recht van appellante vanaf 14 maart 2010 niet meer kan worden vastgesteld.

Als deze vraag bevestigend zou worden beantwoord is tevens in geding of het Uwv de over de periode van 14 maart 2010 tot 1 juli 2014 betaalde uitkering van appellante heeft mogen terugvorderen.

4.3.

Uit de gedingstukken, in het bijzonder het onderzoeksrapport van 2 januari 2014, volgt dat het Uwv het bestreden besluit heeft gebaseerd op de volgende bevindingen. Appellante heeft in de periode van 19 oktober 2007 tot 12 februari 2010 ingeschreven gestaan in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. In de periode van 19 oktober 2007 tot 6 juni 2008 tezamen met [naam] als vennoten van [VOF] Als bedrijfsomschrijving staat vermeld: administratie, verzekeringen, hypotheken en huurbemiddeling. In de periode van 6 juni 2008 tot 12 februari 2010 is de onderneming voortgezet op naam van appellante als eenmansbedrijf [eenmansbedrijf] . Van 12 februari 2010 tot 20 december 2011 is [eenmansbedrijf] voortgezet op naam van [naam] , zij het dat het bezoekadres van de onderneming ongewijzigd [adres] is en volgens de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) het adres waar appellante ingeschreven staat. Verder blijkt uit de gegevens van de Belastingdienst dat op naam van appellante over de jaren 2007 tot en met 2009 aangifte is gedaan van omzetbelasting en over de jaren 2007 en 2008 aangifte van ondernemerswinst. Voorts is het door appellante opgegeven telefoonnummer ten behoeve van het WIA-dossier gekoppeld aan

[eenmansbedrijf] en [bedrijf] . Op alle vragen over de periode na

12 februari 2010, met betrekking tot [eenmansbedrijf] en [bedrijf] , kon of wilde appellante volgens het Uwv geen antwoord geven. Hierdoor is volgens het Uwv niet te beoordelen of appellante tijdens de periode waarover zij WIA-uitkering ontving iets maken heeft gehad met [eenmansbedrijf] en/of [bedrijf] .

4.4.

De Raad stelt vast dat de inschrijving van appellante als zelfstandige bij de Kamer van Koophandel op 12 februari 2010 is doorgehaald, dus voor 14 maart 2010, de datum vanaf wanneer appellante een WIA-uitkering ontving. Ook moet worden vastgesteld dat het merendeel van de onderzoeksbevindingen, waarop het Uwv zijn beslissing heeft gebaseerd, betrekking heeft op de periode voorafgaand aan 14 maart 2010. Als bevindingen voor de periode vanaf 14 maart 2010, zijn slechts genoemd dat het bezoekadres van

[eenmansbedrijf] tevens het adres is waarop appellante volgens het GBA ingeschreven staat en dat het door appellante opgegeven telefoonnummer ten behoeve van het WIA-dossier gekoppeld is aan zowel [eenmansbedrijf] als aan [bedrijf] . Deze bevindingen bieden onvoldoende aanwijzing voor de veronderstelling dat appellante als zelfstandige werkzaamheden heeft verricht en/of inkomsten als zelfstandige heeft ontvangen. Hiermee heeft het Uwv niet aannemelijk gemaakt dat als gevolg van de geconstateerde schending van de inlichtingenverplichting niet is vast te stellen of appellante vanaf 14 maart 2010 recht heeft op een WIA-uitkering. Ook in de door het Uwv eerst in de procedure bij de rechtbank ingebrachte processen-verbaal van verhoor van [naam] van 19 april 2013 en

16 januari 2014 bieden, anders dan het Uwv in het verweerschrift in hoger beroep heeft aangevoerd, geen steun voor het vermoeden dat appellante op of na 14 maart 2010 activiteiten heeft verricht voor [eenmansbedrijf] . Ook de door [naam] afgelegde verklaringen over appellante ontbreken concrete aanwijzingen over door appellante verrichte activiteiten bij [eenmansbedrijf] of [bedrijf] in de periode vanaf 14 maart 2010.

4.5.

Gelet op wat in 4.2 tot en met 4.4 is overwogen, heeft het Uwv niet aannemelijk gemaakt dat met ingang van 14 maart 2010 ten onrechte uitkering is verstrekt aan appellante. Niet voldoende is onderbouwd dat vanaf die datum ten gevolge van de schending van de inlichtingenplicht het recht op uitkering niet is vast te stellen. Hieruit volgt dat niet aan de voorwaarden om met terugwerkende kracht tot intrekking te besluiten is voldaan. Het bestreden besluit kan dan ook niet in stand blijven. De Raad zal zowel de aangevallen uitspraak als het bestreden besluit vernietigen. Gelet op de omvang van de door het Uwv verrichte onderzoeken en het tijdsverloop, wordt het Uwv niet opnieuw in de gelegenheid gesteld opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellante. De Raad zal het besluit van

14 juli 2014 herroepen. Gelet op het voorgaande behoeven de door appellante aangevoerde gronden over de processuele houding van het Uwv geen bespreking meer.

5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 992,- in bezwaar, op € 992,- in beroep en € 992,- in hoger beroep, in totaal € 2.976,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 6 oktober 2014;

  • -

    herroept het besluit van 14 juli 2014;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.976,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en

H. van Leeuwen als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2016.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) L.H.J. van Haarlem

MO