Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2085

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-06-2016
Datum publicatie
09-06-2016
Zaaknummer
15-709 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering Wajong-uitkering. 1) Geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. 2) Geen twijfel aan de juistheid van de door het Uwv op grond van de rapporten van de verzekeringsartsen getrokken conclusie dat van toename van medische beperkingen van appellant binnen vijf jaar na de intrekking van zijn Wajong-uitkering geen sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/709 WWAJ

Datum uitspraak: 3 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

23 januari 2015, 14/2518 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. C.T. de Weerdt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. De Weerdt heeft zich terug getrokken als gemachtigde.

Het Uwv heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2016. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1960, is door een rechtsvoorganger van het Uwv op grond van de restverschijnselen van poliomyelitis aangemerkt als jeugdgehandicapte in de zin van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en hem is met ingang van 1 juni 1980 een AAW-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In verband met de studie van appellant is het arbeidsongeschiktheidspercentage aangepast en later weer opgehoogd. De inkomsten uit arbeid zijn verrekend op grond waarvan de uitkering een geruime periode niet is uitbetaald. Op grond van de Invoeringswet nieuwe en gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen (Invoeringswet) is de AAW-uitkering van appellant per 1 januari 1998 van rechtswege aangemerkt als een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). In 1998 is appellant met medewerking van het Uwv gestart bij het uitzendbureau [uitzendbureau 1] en zijn jaarlijks de inkomsten met de Wajong-uitkering verrekend. Bij besluit van 19 april 2002 is met ingang van 1 mei 2002 de Wajong-uitkering van appellant beëindigd op de grond dat appellant duurzaam, gedurende meer dan drie jaar het wettelijk minimumloon heeft verdiend.

1.2.

Op 9 november 2005 heeft appellant een aanvraag ingediend om met ingang van 1 januari 2004 weer in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering ingevolgde de Wajong. Bij besluit van 23 oktober 2006 is deze aanvraag na verzekeringsgeneeskundig onderzoek afgewezen. De verzekeringsarts heeft op 16 oktober 2006, aangevuld op 18 oktober 2006, een rapport opgesteld en heeft op basis van dossieronderzoek, onderzoek van appellant op het spreekuur en na het inwinnen van informatie bij de behandelend sector te kennen gegeven dat de beperkingen van appellant niet zijn toegenomen na de intrekking van de uitkering in 2002. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 27 augustus 2012 is appellant na verzekeringsgeneeskundig onderzoek in het kader van een ziekmelding vanuit de Werkloosheidswet (WW) per 28 augustus 2012 hersteld verklaard voor maatgevende arbeid. Voorafgaand aan de WW was appellant werkzaam als interimmanager bij [uitzendbureau 2] voor 25 uur per week verdeeld over vijf dagen. Tegen dit besluit heeft appellant geen bezwaar gemaakt.

1.4.

Op 5 september 2013 heeft appellant opnieuw een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering ingevolgde de Wajong. Bij het besluit van

11 september 2013 heeft het Uwv geweigerd om een Wajong-uitkering toe te kennen, op de grond dat appellant na zijn achttiende verjaardag meerdere jaren inkomsten uit/ten gevolge van arbeid heeft genoten, waarmee hij ten minste het minimumloon heeft verdiend.

1.5.

Bij de behandeling van het bezwaar van appellant heeft het Uwv zich op het standpunt gesteld dat een nadere beoordeling is vereist. Door een verzekeringsarts van het Uwv en door een arbeidsdeskundige van het Uwv is onderzoek verricht. Vervolgens heeft in de bezwaarfase tevens een verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv onderzoek verricht. Het bezwaar van appellant is, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 maart 2014 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 29 april 2014, bij besluit van

9 mei 2014 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat er geen sprake is van nieuwe feiten die een ander licht werpt op de aard en ernst van de medische situatie in 1978 (achttiende verjaardag) en in 2002 (het einde van de Wajong-uitkering). In de periode van vijf jaar na de beëindiging van de Wajong-uitkering (van 1 mei 2002 tot 1 mei 2007) is er geen sprake geweest van duurzame toename van beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en heeft daartoe overwogen dat er geen aanleiding is voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 27 maart 2014 getrokken conclusie dat er geen sprake is van informatie (nieuwe feiten) die een ander licht werpt op de aard en ernst van de medische situatie van appellant in 1978 (achttiende verjaardag) en 2002 (einde Wajong). Evenmin ziet de rechtbank aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de rapportage van 27 maart 2014 getrokken conclusie dat er geen sprake is van informatie (nieuwe feiten) die een ander licht werpt op medische situatie van appellant in de periode van vijf jaar na einde Wajong (dus in de periode 1 mei 2002 tot 1 mei 2007), in die zin dat er geen sprake is geweest van duurzame toename van beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak. De rechtbank betrekt bij dit oordeel tevens de arbeidsdeskundige rapportages, uitgebracht in de onderhavige zaak. Hetgeen daarin is vermeld, geeft de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel.

3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn klachten wel degelijk zijn toegenomen. Door de beperkte bewegingsmogelijkheden als gevolg van de polio kan appellant niet sporten, dit heeft geleid tot een ongezonde gewichtstoename. Appellant voert aan dat zijn lichamelijke en zijn psychische klachten zijn verergerd en verwijst ter onderbouwing naar het huisartsenjournaal dat in beroep is overgelegd. Voorts voert appellant aan dat hij niet in staat is geweest duurzaam een inkomen op het minimumniveau te verdienen. Het bedrijf van appellant is mede door de vordering van het Uwv ten gronde gericht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Uit de uitspraak van de Raad van 14 januari 2015, (ECLI:NL:CRVB:2015:1), blijkt dat een aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking moet worden beoordeeld. Ter zitting is vastgesteld dat appellant met de aanvraag van 5 september 2013 heeft beoogd dat het Uwv terugkomt van het besluit van 23 oktober 2006 en tevens heeft hij met deze aanvraag beoogd een beroep te doen op een regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid.

4.2.

Voor zover het verzoek betrekking heeft op herziening van het besluit van

23 oktober 2006 is appellant overeenkomstig artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan te dragen. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben terecht geconcludeerd dat appellant aan zijn aanvraag geen nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb, ten grondslag heeft gelegd op grond waarvan het Uwv had moeten terugkomen van het besluit van 23 oktober 2006.

4.3.

Ten aanzien van appellant zijn beroep op een regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid op grond van dezelfde ziekteoorzaak, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv op grond van de rapporten van de verzekeringsartsen getrokken conclusie dat van toename van medische beperkingen van appellant binnen vijf jaar na de intrekking van zijn

Wajong-uitkering geen sprake is. Ook het in beroep overgelegde huisartsenjournaal geeft hiertoe geen aanleiding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in het nadere rapport van 13 april 2016 afdoende toegelicht dat op grond van het huisartsenjournaal geen sprake is van toegenomen klachten in de te beoordelen periode.

4.4.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en H. van Leeuwen en L. Koper als leden, in tegenwoordigheid van I.G.AH. Toma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2016.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) I.G.A.H. Toma

MO