Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2076

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2016
Datum publicatie
09-06-2016
Zaaknummer
15/4274 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning van en overgang naar LFNP-functie. De korpschef heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door appellant naar voren gebrachte omstandigheden niet leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard en dat evenmin sprake is van een bijzondere situatie als bedoeld in de regelgeving. Geen reden voor toepassing van de hardheidsclausule.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4274 AW

Datum uitspraak: 2 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

19 mei 2015, 14/6647 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P.L.C. Dijkgraaf, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. J.L.A. Helmer, advocaat. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V de Kruijf-Stellaard, mr. F.A.M. Bot en R.M.M. Paulssen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was aangesteld bij de voormalige politieregio [politieregio] , laatstelijk in de functie van [functie 1] . Na een voornemen is de uitgangspositie van appellant tot en met 31 maart 2011 ten behoeve van de invoering van het Landelijk Functiegebouw Nederlandse Politie (LFNP), vastgesteld met de functie van [functie 2] met salarisschaal 15. Daarbij is opgemerkt dat appellant vanaf 19 april 2011 de opsporingsgerelateerde werkzaamheden van de voormalige plaatsvervangend korpschef vervult. Dit loopt tot 14 augustus 2012 of zo veel eerder als voortvloeit uit de start van de nationale politie. Voor de uitgangspositie wordt uitgegaan van de genoemde formele functie. Nadien is nog vastgesteld dat er geen taakaccenten ter aanvulling van de uitgangspositie zijn. Appellant heeft tegen de hiervoor genoemde besluiten geen rechtsmiddelen aangewend en heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om functieonderhoud aan te vragen.

1.2.

Na een voornemen, waartegen appellant bedenkingen heeft ingediend, is bij besluit van 16 december 2013 voor het tijdvak 31 december 2009 tot en met 31 december 2011 de functie van [functie 3] met salarisschaal 14 toegekend als zogenoemde LFNP-functie en is appellant per 1 januari 2012 naar die functie overgegaan. Na 1 januari 2012 zijn er geen formele wijzigingen geweest voor de situatie in het LFNP. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 20 augustus 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft onder meer geoordeeld dat de Regeling vaststelling LFNP (Stcrt. 2013, nr. 13079) en de bijhorende transponeringstabel ten grondslag mochten worden gelegd aan de toekenning van de LFNP functie en het bestreden besluit. De rechtbank heeft geen reden gezien voor de toepassing van de hardheidsclausule, omdat deze niet bedoeld is voor werkzaamheden waarvoor functieonderhoud gevraagd had kunnen worden. Het ontraden van zo’n aanvraag rechtvaardigt evenmin de toepassing van de hardheidsclausule, omdat het de verantwoordelijkheid is van de ambtenaar om functieonderhoud aan te vragen. Omdat de rechtbank ook overigens geen onbillijkheden van overwegende aard heeft gezien, heeft zij het beroep ongegrond verklaard.

3.1.

Het hoger beroep van appellant is er in de kern op gericht om alsnog onder de toepassing van de hardheidsclausule te worden gebracht. Hij heeft onder meer gewezen op de gevolgen voor hem persoonlijk van de plaatsing en acht de norm van goed werkgeverschap van artikel 125ter van de Ambtenarenwet geschonden.

3.2.

De korpschef heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4. De Raad komt naar aanleiding van wat partijen in hoger beroep hebben aangevoerd tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het kader en de regelgeving van dit hoger beroep verwijst de Raad naar de uitspraken van 1 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:1550 en ECLI:NL:CRVB:2015:1663).

4.2.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de korpschef zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de door appellant naar voren gebrachte omstandigheden niet leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard en dat evenmin sprake is van een bijzondere situatie als bedoeld in de regelgeving. Zoals de Raad al een- en andermaal (zie onder meer de onder 4.1 genoemde uitspraken van 1 juni 2015) heeft overwogen is de hardheidsclausule niet bedoeld om alsnog rekening te houden met werkzaamheden waarvoor functieonderhoud gevraagd had kunnen worden en afspraken die in de uitgangspositie vastgelegd hadden kunnen zijn. Dat appellant zijn verzoeken in de jaren voor 2011 om een actuele functiebeschrijving respectievelijk om functieonderhoud louter mondeling heeft gedaan en vanwege zijn positie heeft nagelaten om zorg te dragen voor een formele afhandeling kan geen gewicht in de schaal leggen. Ter gelegenheid van de vaststelling van de uitgangspositie had appellant gebruik kunnen maken van de mogelijkheid om alsnog formeel functieonderhoud te vragen. De omstandigheid dat appellant naar zijn zeggen vertrouwd heeft op een uitlating van de toenmalige Directeur Bedrijfsvoering dat het wel goed zou komen vormt evenmin een reden voor toepassing van de hardheidsclausule. Het afzien van het aanvragen van functieonderhoud komt voor risico van de ambtenaar zelf, omdat het vragen van functieonderhoud tot de verantwoordelijkheid van de ambtenaar zelf behoort. Tegen de achtergrond van het vorenstaande kan niet gezegd worden dat het achterwege laten van toepassing van de hardheidsclausule een schending van de norm van artikel 125ter van de Ambtenarenwet inhoudt.

4.3.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2016.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) A. Mansourova

IJ