Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2072

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2016
Datum publicatie
09-06-2016
Zaaknummer
15/4674 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om bevordering ten onrechte afgewezen op de grond dat betrokkene niet voldoet aan het vereiste van een beoordeling boven de norm. Loopbaanbeleid. Bij de beslissing op het verzoek was slechts bepalend of betrokkene op enig moment, maar uiterlijk op de peildatum, voldeed aan de voorwaarden voor bevordering. Uit beoordeling 2 kan worden opgemaakt dat betrokkene op 31 december 2012 boven de norm functioneerde. Hoewel appellant gevolgd kan worden in zijn betoog dat een functioneringsformulier een ander karakter heeft dan een beoordeling, neemt dit niet weg dat de rechtbank aan het functioneringsformulier waarde heeft kunnen hechten ter ondersteuning van haar oordeel dat betrokkene tijdens de periode 2011 - 2012 boven de norm functioneerde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4674 AW

Datum uitspraak: 2 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 29 mei 2015, 15/172 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de korpschef van politie (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant op 4 augustus 2015 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2016. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van Doorn. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. H. Yildiz.

OVERWEGINGEN

1.1.

Betrokkene was werkzaam in de functie van generalist Gebiedsgebonden Politie (GGP) bij de voormalige politieregio [regio] , thans de Eenheid [eenheid] .

1.2.

Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 is op

1 november 2010 de circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche (circulaire) in werking getreden (Stcrt. 2010, 19782). Een van de te harmoniseren onderwerpen is het in bijlage 6 van de circulaire opgenomen ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior in de GGP’ (loopbaanbeleid). Dit loopbaanbeleid is de vastlegging van de binnen de politie gemaakte collectieve afspraken over de mogelijkheden tot doorstroming van ambtenaren binnen de GGP naar een volgend niveau of functie. Voor de doorstroming (bevordering) van generalist GGP (schaal 7) naar senior GGP (schaal 8) is in het loopbaanbeleid onder meer als vereiste gesteld dat sprake is van vakmanschap blijkend uit een recente beoordeling boven de norm. Het loopbaanbeleid voor bevordering van schaal 7 naar schaal 8 is met ingang van 1 januari 2013 beëindigd.

1.3.

De Minister van Veiligheid en Justitie heeft alle korpschefs bij brief van 26 oktober 2012 bericht dat het Centraal Georganiseerd Overleg Politie (CGOP) tot de conclusie is gekomen dat het vaststellen van het begrip ‘boven de norm’ geschiedt per korps in overleg met de eigen ondernemingsraad.

1.4.

In april 2013 zijn door de Adviescommissie Loopbaanbeleid GGP van het CGOP nadere uitvoeringsafspraken vastgesteld. Daarin is, voor zover hier van belang, het volgende vastgelegd: “De aanvraagdatum voor doorstroom in het kader van HAP II moet op uiterlijk

31 december 2012 liggen. Nieuwe aanvragen ná 31 december 2012 worden niet meer in behandeling genomen. (…) Het beleid is medio 2010 afgesproken en 1 november 2010 van kracht geworden. De laatste datum is bepalend voor de beslissing. Een beoordeling van dat moment (of niet ouder dan 2 jaar) is hierin leidend.”

1.5.

Nadat binnen de Eenheid [eenheid] aanvankelijk verzoeken om bevordering wegens zwaarwegend dienstbelang werden afgewezen, is op 7 februari 2013 in een overleg van het CGOP besloten dat alle voor 1 januari 2013 ingediende aanvragen (opnieuw) in behandeling worden genomen conform de circulaire. Voorts zijn met de ondernemingsraad nadere afspraken vastgesteld ter uitwerking van het vereiste van een beoordeling boven de norm. Deze zijn vastgelegd in een beleidsdocument van 26 november 2013 (beleidsdocument). Dit luidt, voor zover hier van belang, als volgt: “Het vakmanschap moet worden aangetoond door middel van een recente beoordeling boven de norm. De beoordeling moet zijn opgemaakt tussen 1 november 2008 en 1 januari 2013. Een dergelijke beoordeling mag geen A en/of B-score bevatten en moet ten minste 5 D-scores laten zien waarvan 2 D-scores in de kolom Professionaliteit, 2 D-scores in de kolom Persoonlijke omgang en Sensitiviteit en 1 D-score in de kolom Resultaten. De beoordeling gaat over de GGP ervaring en heeft plaatsgevonden in het tijdvak 1-11-2010 tot en met 31-12-2012 (einde regeling).”

1.6.

Het functioneren van betrokkene in de periode 1 december 2009 tot en met 31 december 2010 is beoordeeld met zes D-scores, waarvan drie in de kolom Professionaliteit, één in de kolom Persoonlijke omgang en Sensitiviteit en twee in de kolom Resultaten (beoordeling 1).

1.7.

Betrokkene heeft op 8 oktober 2012 verzocht om bevordering op grond van het loopbaanbeleid.

1.8.

Het functioneren van betrokkene in de periode 9 februari 2012 tot en met 4 juni 2013 is beoordeeld met acht D-scores, waarvan twee in de kolom Professionaliteit, drie in de kolom Persoonlijke omgang en Sensitiviteit en drie in de kolom Resultaten (beoordeling 2). De beoordeling is opgemaakt op 4 juni 2013 en door het bevoegd gezag vastgesteld op 20 juni 2013.

1.9.

Bij besluit van 19 maart 2014 heeft appellant het verzoek van betrokkene om bevordering afgewezen op de grond dat betrokkene gezien beoordeling 1 niet voldoet aan het vereiste van een beoordeling boven de norm.

1.10.

Bij besluit van 15 december 2014 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar ongegrond verklaard onder handhaving van het besluit van 19 maart 2014. Daaraan heeft appellant mede ten grondslag gelegd dat beoordeling 2 is opgemaakt in juni 2013 en daarmee buiten de in het beleidsdocument opgenomen periode van 1 november 2008 tot 1 januari 2013 valt.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en appellant opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen. Daartoe is overwogen dat appellant het verzoek om bevordering ten onrechte heeft afgewezen. De rechtbank heeft beantwoording van de vraag of beoordeling 1 een beoordeling boven de norm is achterwege gelaten, omdat deze nog voor het beleidsdocument is opgesteld. Geconcludeerd is dat appellant beoordeling 2 ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. Uit beoordeling 2, die voor het grootste deel betrekking heeft op 2012, en uit het functioneringsformulier van 6 februari 2012 volgt dat betrokkene in de periode 2011-2012 boven de norm functioneerde.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat het loopbaanbeleid bepaalt dat sprake dient te zijn van een recente beoordeling boven de norm. Beoordeling 2 is van juni 2013 en is van na de in het beleidsdocument genoemde periode. Bovendien heeft de rechtbank ten onrechte de vraag opgeworpen of beoordeling 1 een beoordeling boven de norm is. De rechtbank heeft voorts ten onrechte betekenis gehecht aan het functioneringsformulier en miskend dat het een ander karakter heeft dan een beoordeling.

4. Bij besluit van 4 augustus 2015, dat ter uitvoering van de aangevallen uitspraak is genomen, heeft appellant opnieuw op het bezwaar van betrokkene beslist en dit gegrond verklaard. Appellant heeft betrokkene met ingang van 16 juni 2012 - de datum waarop zij voldeed aan de voorwaarden van drie jaar werkervaring als generalist GGP - bevorderd naar de functie van senior GGP. Het besluit van 4 augustus 2015 komt, zoals betrokkene ter zitting heeft verklaard, geheel tegemoet aan haar beroep. Gelet op de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt dit besluit niet in de beoordeling betrokken.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Uit 1.2 volgt dat het loopbaanbeleid van 1 november 2010 tot en met 31 december 2012 gold. Wil men voor bevordering in aanmerking komen, dan dient in die periode aan de voorwaarden te worden voldaan, waaronder een beoordeling boven de norm. Met verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 30 juli 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2551 en ECLI:NL:CRVB:2015:2552) kwam appellant de bevoegdheid toe een nadere invulling te geven aan het begrip ‘boven de norm’. Ter beoordeling ligt voor of appellant hieraan mede de invulling heeft mogen geven dat de beoordeling tussen 1 november 2008 en 1 januari 2013 dient te zijn opgemaakt.

5.2.

Het loopbaanbeleid en de nadere uitvoeringsafspraken bepalen dat de aanvraag uiterlijk op 31 december 2012 - de datum waarop uiterlijk aan alle voorwaarden moet zijn voldaan (peildatum) - moet zijn ingediend, een beoordeling recent moet zijn en dat in ieder geval nog is als deze niet ouder is dan twee jaar waarbij de datum van 1 november 2010 leidend is. Het loopbaanbeleid kent voor de beoordeling die ten grondslag ligt aan het verzoek om doorstroming geen specifieke datum waarop deze uiterlijk moet zijn opgemaakt of vastgesteld (peilmoment). Verwezen wordt naar de uitspraak van 14 januari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:276).

5.3.

Hoewel appellant kan worden gevolgd in zijn betoog dat beoordeling 1 op zichzelf als een recente beoordeling kan worden beschouwd, geldt dit ook voor beoordeling 2, die grotendeels ziet op 2012 en dus valt binnen de onder 5.1 genoemde werkingssfeer van het loopbaanbeleid. Naar het oordeel van de Raad had appellant beoordeling 2 daarom mede in zijn besluitvorming dienen te betrekken en is, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, met de invulling dat een beoordeling tussen 1 november 2008 en 1 januari 2013 dient te zijn opgemaakt buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling getreden. Net als de Raad in zijn uitspraak van 26 november 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:5000) ten aanzien van de invulling van het begrip ‘verwachte geschiktheid’ heeft geoordeeld, is hier sprake van een beperking van het landelijk beleid dat geen peilmoment kent voor de beoordeling. Anders dan appellant ter zitting heeft betoogd, is de uitspraak van 14 januari 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:276) niet slechts van belang voor voormalige politieregio’s die geen nader beleid ten aanzien van het peilmoment van de beoordeling hebben vastgesteld. Het is niet aan appellant om hieraan - beperkende - voorwaarden te verbinden die kunnen maken dat politieambtenaren, die niet beschikken over een beoordeling die valt binnen de werkingssfeer van het loopbaanbeleid, deze niet alsnog na 1 januari 2013 kunnen laten opmaken en dus niet meer voor bevordering in aanmerking kunnen komen. Appellants invulling verhoudt zich bovendien niet met het gegeven dat de voormalige politieregio Amsterdam-Amstelland in eerste instantie geen uitvoering heeft gegeven aan het loopbaanbeleid en pas vanaf februari 2013 aanvragen (opnieuw) in behandeling heeft genomen.

5.4.

Het voorgaande brengt mee dat bij de beslissing op het verzoek (en de heroverweging van die beslissing) slechts bepalend was of betrokkene op enig moment, maar uiterlijk op de peildatum, voldeed aan de voorwaarden voor bevordering. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit beoordeling 2 kan worden opgemaakt dat betrokkene op 31 december 2012 boven de norm functioneerde. Hoewel appellant gevolgd kan worden in zijn betoog dat een functioneringsformulier – ter zitting heeft hij verwezen naar de uitspraak van 10 maart 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:1091) – een ander karakter heeft dan een beoordeling, neemt dit niet weg dat de rechtbank aan het functioneringsformulier waarde heeft kunnen hechten ter ondersteuning van haar oordeel dat betrokkene tijdens de periode 2011 - 2012 boven de norm functioneerde.

5.5.

Uit 5.1 tot en met 5.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient - zij het met verbetering van gronden zoals overwogen onder 5.3 - te worden bevestigd.

6.1.

De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep tot een bedrag van € 992,- voor verleende rechtsbijstand.

6.2.

Van appellant wordt op grond van 8:109, tweede lid, van de Awb griffierecht geheven.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 992,-;

  • -

    bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 497,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2016.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) S.W. Munneke

IJ