Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2068

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
06-06-2016
Zaaknummer
14/4807 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering WAO-Uitkering. Inkomsten uit hennepkwekerij.

Wetsverwijzingen
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 29a
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 44
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0604
NJB 2016/1302
AB 2016/418 met annotatie van E.C.G. OKHUIZEN
USZ 2016/240
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4807 WAO, 14/4870 WAO

Datum uitspraak: 1 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 18 juli 2014, 13/1311, 13/2434 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I. Wudka, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Appellante heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2016. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Wudka. Voor het Uwv is verschenen mr. W.J.M.H. Lagerwaard.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante ontving een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.

1.2.

Naar aanleiding van anonieme tips op 31 oktober 2011 en 18 november 2011 heeft de Politie Regio Limburg Zuid op 22 november 2011 een onderzoek ingesteld in de woning van appellante en hierin een hennepkwekerij aangetroffen. Uit het naar aanleiding daarvan opgemaakte rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij (rapport BWVV) blijkt dat wordt uitgegaan van één gerealiseerde oogst en dat het wederrechtelijk verkregen voordeel is bepaald op € 6.742,28. Naar aanleiding van het politieonderzoek heeft het Uwv een onderzoek ingesteld, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport werknemersfraude van 7 augustus 2012. De handhavingsdeskundige van het Uwv is tot de conclusie gekomen dat het Uwv appellante over de periode van 13 september 2011 tot en met 22 november 2011 ten onrechte WAO-uitkering heeft verstrekt.

1.3.

Bij besluit van 8 augustus 2012 heeft het Uwv wegens in de periode van 13 september 2011 tot 23 november 2011 ontvangen inkomsten uit hennepteelt de WAO-uitkering van appellante met toepassing van artikel 44 van de WAO op nihil gesteld. Het Uwv heeft tevens een bedrag van € 2.779,23 aan volgens het Uwv over deze periode onverschuldigd betaalde uitkering van appellante teruggevorderd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 15 maart 2013 (bestreden besluit I) ongegrond verklaard.

1.4.

Bij besluit van 3 mei 2013 heeft het Uwv appellante een boete opgelegd van € 280,-, omdat zij niet heeft doorgegeven dat zij in de periode van 13 september 2011 tot en met
22 november 2011 inkomsten uit hennepteelt heeft gehad. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 1 juli 2013 (bestreden besluit II) ongegrond verklaard.

2. Appellante heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv mag uitgaan van de feiten zoals verkregen uit het strafrechtelijk onderzoek. De rechtbank heeft daartoe aangesloten bij de uitspraak van de Raad van
23 februari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL7208, waarin is overwogen dat er geen beletsel is voor het gebruik van strafrechtelijk bewijs bij het onderzoek naar de rechtmatigheid van een bijstandsuitkering. Naar het oordeel van de rechtbank is dit naar analogie ook van toepassing op een WAO-uitkering. Volgens de rechtbank heeft het Uwv kunnen afgaan op het rapport BWVV. Het betoog van appellante dat geen sprake is geweest van een eerdere oogst, zij alle gereedschappen en toebehoren om een hennepkwekerij te laten functioneren tweedehands heeft gekocht en zij pas vanaf augustus 2013 (lees: 2011) op het adres woonde, heeft zij op geen enkele wijze onderbouwd, terwijl in het rapport deugdelijk is gemotiveerd waarom is uitgegaan van één eerdere oogst. Het Uwv heeft volgens de rechtbank terecht en op goede gronden de (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid over de periode van 13 september 2011 tot 23 november 2011 vastgesteld op minder dan 15%. Op grond van artikel 57 van de WAO is het Uwv verplicht de onverschuldigd betaalde uitkering van appellante terug te vorderen. Over de boete heeft de rechtbank overwogen dat appellante door geen melding te maken van het exploiteren van de hennepplantage, de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Deze schending is haar volledig toe te rekenen. Het Uwv heeft volgens de rechtbank de boete terecht vastgesteld op (afgerond) 10% van het benadelingsbedrag.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante ontkend een hennepoogst te hebben gegenereerd. Zij heeft naar voren gebracht dat het standpunt van het Uwv is ingegeven door het rapport zoals dat door de politie is opgesteld en dat het Uwv zelf geen onderzoek heeft ingesteld. Volgens appellante wordt in het rapport van de politie niet ingegaan op haar argumenten waaruit blijkt dat er geen oogst heeft plaatsgevonden. Zij heeft herhaald dat zij de installatie tweedehands heeft gekocht. Ook is volgens appellante geen rekening gehouden met het feit dat zij pas sinds eind augustus 2011 woonde in de woning waar de installatie werd gevonden. Tot slot heeft appellante naar voren gebracht dat het Openbaar Ministerie het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil heeft gesteld en dat het Uwv dit ten onrechte niet heeft gevolgd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijk kader wordt verwezen naar overwegingen 7, 15 en 20 tot en met 23 van de aangevallen uitspraak.

De toepassing van artikel 44 van de WAO en de terugvordering

4.2.

Appellante wordt niet gevolgd in haar betoog dat het standpunt van het Uwv alleen is ingegeven door het rapport dat door de politie is opgesteld. Het Uwv heeft immers naar aanleiding van de melding van de politie een eigen onderzoek ingesteld en in dat verband appellante ook zelf gehoord. Dat de informatie die het Uwv van de politie ter beschikking heeft gekregen bij dit onderzoek is betrokken, doet daaraan niet af.

4.3.

Bestreden besluit I berust op het standpunt van het Uwv dat appellante in de periode van 13 september 2011 tot 23 november 2011 één oogst uit haar hennepkwekerij heeft gehad en daaruit inkomsten heeft genoten. Bestreden besluit I is een voor appellante belastend besluit, waarbij het aan het Uwv is om de benodigde feiten te verzamelen. De bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor toepassing van de artikelen 44 en 57 van de WAO is voldaan, rust op het Uwv.

4.4.1.

Vaststaat dat op 22 november 2011 in een door appellante gehuurde woning een kwekerij met 84 hennepstekken van ongeveer 10 centimeter hoogte en twee plastic zakken met gedroogde hennep zijn aangetroffen. Appellante heeft deze kwekerij met hulp van anderen opgebouwd. Naar aanleiding van de stelling van appellante dat in die kwekerij nog geen sprake was geweest van een oogst wordt het volgende overwogen.

4.4.2.

In de eerste plaats is van belang dat, gelet op de duur van de periode waarin appellante de woning tot haar beschikking had, het mogelijk was om een oogst te hebben gehad. Appellante huurde de woning immers vanaf 15 augustus 2011. Vanaf dat moment zou gestart kunnen zijn met de opbouw van de hennepkwekerij. Als zou worden uitgegaan van een opbouw van de kwekerij in drie weken – zoals appellante tegenover de politie heeft verklaard – en een kweekcyclus van tien weken, dan zou appellante voor 22 november 2011 een oogst kunnen hebben gehad. Appellante heeft weliswaar gesteld dat de eigenaar van de woning in september 2011 zogenoemde open dagen had waarop hij met aspirant-kopers langs is geweest, maar daarvan is niet gebleken. Bovendien bevond de hennepkwekerij zich in de kelder van de woning, zodat bij een bezichtiging van de woning met uitzondering van de kelder een kwekerij niet opgemerkt zou zijn.

4.4.3.

In het rapport BWVV is uitgegaan van een eerdere oogst met 80 hennepplanten. De rapporteur, hoofdagent van politie [naam 1] , is tot deze conclusie gekomen, omdat in de 41 kweekbakken voor twee hennepplanten vier vergane resten van hennepplanten zijn aangetroffen, te weten wortel- en bladresten. Bovendien was stof op het filterdoek van de koolstoffilters aangetroffen, waarbij aannemelijk is geacht dat de vervuiling heeft plaatsgevonden, nadat de koolstoffilters in de kwekerij waren bevestigd. Ook is het kweekmedium Mapito aangetroffen, waarin zich wortelresten van hennepplanten bevonden, wat ook duidt op een eerdere oogst. In het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij heeft voornoemde rapporteur nader omschreven dat hij in de kweekbakken “mooie lange witte wortels van planten” heeft aangetroffen en op de bodem van de kweekbakken meerdere groenkleurige hennepblaadjes. Deze hennepblaadjes zagen er volgens hem mooi uit en vertoonden kennelijk geen ziektes. In een van de kweekbakken lag een groot hennepblad, dat volgens hem duidde op de aanwezigheid van grote hennepplanten. Voorts waren er kruimels van hennep aanwezig in een emmer, waarin een knipschaar lag. De rapporteur heeft appellante bij het binnentreden gevraagd “Waar zijn de hennepplanten?”, waarop zij heeft geantwoord dat deze kennelijk de dag daarvoor waren opgehaald. De verklaring van appellante tijdens haar verhoor door de politie op 22 november 2011 dat zij pas sinds
19 november 2011 planten heeft staan, verhoudt zich ook niet met het feit dat uit een netmeting door energieleverancier Enexis is gebleken dat in ieder geval al vanaf 10 november 2011 sprake is van een vast in- en uitschakelmoment (van 16.00 uur tot 04.00 uur) van tijdschakelaren die worden gebruikt om hennepplanten op gezette tijden van licht en voeding te voorzien.

4.4.4.

Er bestaat geen aanleiding om in dit verband betekenis te hechten aan de verklaring van [naam 2] dat hij vanaf 20 september 2011 is begonnen met het installeren van de hennepkwekerij en dat dit zeker een week in beslag heeft genomen. [naam 2] heeft deze verklaring immers pas op 16 december 2014 gedaan en niet onderbouwd met enig nader bewijs. Zijn verklaring is bovendien in strijd met de verklaring van appellante, die heeft verklaard dat de plantage ongeveer een maand voordat de politie binnenviel is opgebouwd, dat zij de kwekerij zelf met een beetje hulp van anderen heeft opgebouwd en dat deze na ongeveer drie weken klaar was.

4.4.5.

Uit wat is overwogen in 4.4.2 tot en met 4.4.4 volgt dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat in de aangetroffen hennepkwekerij eenmaal is geoogst met 80 hennepplanten. Dit rechtvaardigt de veronderstelling dat appellante, die huurster is van de woning waarin de kwekerij is aangetroffen, werkzaamheden van economische waarde heeft verricht gericht op het kweken van hennep en daaruit aan haar toe te rekenen inkomsten heeft genoten. Appellante heeft de werkzaamheden in de kwekerij niet gemeld en aan het Uwv geen gegevens overgelegd waaruit blijkt wat haar inkomsten zijn geweest in de periode in geding.

4.4.6.

Op grond van artikel 80, eerste lid, van de WAO is degene die een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt verplicht het Uwv onverwijld en uit eigen beweging aan het Uwv melding te maken van zijn werkzaamheden en inkomsten uit arbeid. Daarbij geldt dat indien achteraf de omvang van in strijd met dit wetsartikel verzwegen arbeid en inkomsten niet meer kan worden bepaald aan de hand van betrouwbare schriftelijke gegevens, het Uwv bevoegd is de in aanmerking te nemen inkomsten op een redelijke wijze te schatten. De betrokken uitkeringsontvanger heeft dan vervolgens de mogelijkheid om de juistheid van de op basis van deze schatting vastgestelde bedragen te weerleggen met concrete en verifieerbare gegevens. De toepassing van artikel 44 van de WAO brengt in die situatie mee dat het risico dat relevant geachte feiten en omstandigheden niet aannemelijk worden gemaakt bij de uitkeringsontvanger wordt gelegd.

4.4.7.

Het Uwv heeft aan de toepassing van artikel 44 van de WAO ten grondslag gelegd een rapport werknemersfraude van 7 augustus 2012. Dat rapport vormt samen met het rapport BWVV en het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij van 30 november 2011 een voldoende grondslag voor de schatting van het Uwv dat appellante ten tijde van belang inkomsten uit arbeid heeft ontvangen groter dan haar maatmaninkomen. De omstandigheid dat het Openbaar Ministerie het voordeel voor appellante voorlopig op nihil heeft geschat en geen ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gevorderd, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij is van belang dat uit de gedingstukken niet kan worden opgemaakt op welke grond van welke gegevens het Openbaar Ministerie tot deze beslissing is gekomen. Uit 4.4.6 volgt dat het aan appellante is om met concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat zij met haar werkzaamheden in de kwekerij minder of in het geheel geen inkomsten heeft ontvangen. Appellante heeft haar standpunt niet met dergelijke gegevens onderbouwd. De gevolgen van het ontbreken van die gegevens komen voor rekening van appellante.

4.4.8.

Aan de in 4.3 vermelde bewijslast is in dit geval voldaan. Het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht de (fictieve) mate van arbeidsongeschiktheid van appellante over de periode in geding heeft vastgesteld op minder dan 15%, waardoor haar WAO-uitkering over die periode niet tot uitbetaling kon komen, is juist. De gronden waarop de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat het Uwv terecht de onverschuldigd betaalde WAO-uitkering over de periode van 13 september 2011 tot 23 november 2011 heeft teruggevorderd, worden onderschreven. In wat appellante heeft aangevoerd wordt geen dringende reden gezien om van terugvordering af te zien. Het beroep tegen bestreden besluit I is terecht ongegrond verklaard.

De boete

4.5.

Artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden bevat de waarborg dat een ieder tegen wie een strafvervolging is ingesteld – een boeteoplegging wordt aangemerkt als het instellen van een strafvervolging – voor onschuldig wordt gehouden, totdat zijn schuld volgens de wet is bewezen. Deze waarborg brengt mee dat het Uwv feiten moet stellen en, voor zover betwist, moet aantonen dat als gevolg van een schending van de inlichtingenverplichting onverschuldigd uitkering is betaald. In geval van twijfel dient aan de uitkeringsontvanger het voordeel van de twijfel te worden gegund (vgl. overweging 4.8.3 in ECLI:NL:HR:2011:BN6324, overweging 3.2 in ECLI:NL:RVS:2014:3446 en overweging 4.2 in ECLI:NL:CRVB:2016:1429). De bewijslast bij een bestraffende sanctie als hier aan de orde is dus zwaarder dan die bij de toepassing van de artikelen 44 en 57 van de WAO.

4.6.

Op grond van de gedingstukken heeft het Uwv aangetoond dat appellante haar inlichtingenverplichting niet is nagekomen door haar werkzaamheden in verband met de hennepkwekerij niet onverwijld te melden aan het Uwv. Hiervan kan appellante niet alleen objectief maar ook subjectief een verwijt worden gemaakt. Volgens appellante heeft zij niets verdiend met de bij haar aangetroffen hennepkwekerij. Op grond van de beschikbare gegevens is niet aangetoond dat appellante met verkoop van hennepproducten inkomsten heeft ontvangen hoger dan 20% van haar maatmaninkomen en als gevolg daarvan over de periode in geding te veel of ten onrechte WAO-uitkering heeft ontvangen. Dit betekent, uitgaande van de in 4.5 weergegeven bewijsmaatstaf, dat niet overtuigend is aangetoond dat de schending van de inlichtingenverplichting ook tot benadeling van het Uwv heeft geleid.

4.7.

Op grond van artikel 29a, vierde lid, van de WAO is het Uwv bevoegd in plaats van een boete te volstaan met een waarschuwing indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag, tenzij dit niet (behoorlijk) nakomen plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de werknemer een zodanige waarschuwing is gegeven. Niet is gebleken dat eerder aan appellante een boete of een waarschuwing wegens schending van de inlichtingenverplichting is gegeven. In zaken met een eerste overtreding binnen twee jaar en een benadelingsbedrag lager dan € 40,- hanteert het Uwv als beleid dat met een waarschuwing in plaats van een boete wordt volstaan.

4.8.

Gelet op wat in 4.5, 4.6 en 4.7 is overwogen had in dit geval met het geven van een waarschuwing in plaats van een boete moeten worden volstaan.

5. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond is verklaard. Bestreden besluit II zal worden vernietigd. Met toepassing van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht zal in plaats van de boete een waarschuwing worden gegeven. Voor het overige zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

6. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep. De kosten van rechtsbijstand worden begroot op € 1.984,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin het beroep tegen het besluit van

1 juli 2013 ongegrond is verklaard;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 1 juli 2013 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    geeft appellante wegens het niet nakomen van de inlichtingenverplichting een waarschuwing en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van

1 juli 2013;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.984,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en H.G. Rottier en
M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016.

(getekend) G.A.J. van den Hurk

(getekend) M.S.E.S. Umans

MO