Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2067

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2016
Datum publicatie
06-06-2016
Zaaknummer
15/5261 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging disciplinaire maatregel van overplaatsing naar een andere functie. Anders dan appellant acht de Raad de disciplinaire maatregel niet onevenredig aan de aard en ernst van het plichtsverzuim. Het bestuur heeft het plichtsverzuim terecht onverenigbaar geacht met zijn functie. Pas met de brief van 15 april 2016 kon een adequate beoordeling van de evenredigheid van de maatregel plaatsvinden. Nu het bestreden besluit zonder die duidelijkheid is genomen, dient het besluit te worden vernietigd. Het hoger beroep van appellant slaagt in zoverre. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad alsnog het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. Rechtsgevolgen blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2016/236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5261 AW

Datum uitspraak: 2 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
17 juni 2015, 14/6941 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van Bestuur van het Universitair Medisch Centrum Utrecht (bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.Y. Hofstra, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het bestuur heeft een brief van 15 april 2016 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Hofstra. Het bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.M. de Koning, B. van de Dijk en C.F.M. Oosterlaar.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds 2003 in dienst bij het [naam afdeling] van het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMC Utrecht). In zijn functie als [naam functie] ontving hij een salaris in schaal 5 alsmede een onregelmatigheidstoeslag (ORT). Op 29 november 2013 heeft appellant - buiten diensttijd - een politieagent geslagen. Op 2 december 2013 heeft appellant dit incident gemeld bij zijn leidinggevende. In januari 2014 is appellant hiervoor strafrechtelijk veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van 40 uur met een proeftijd van twee jaar en tot het betalen van € 200,- als schadevergoeding aan het slachtoffer.

1.2.

Nadat het bestuur een voornemen daartoe bekend had gemaakt en appellant zijn zienswijze hierover naar voren had gebracht, heeft het bestuur appellant bij besluit van 9 april 2014 op grond van artikel 11.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Collectieve Arbeidsovereenkomst Universitair Medische Centra (CAO UMC) de disciplinaire maatregel opgelegd van overplaatsing naar een andere functie, gepaard gaande met inschaling in een lagere salarisschaal indien de andere functie lager is gewaardeerd. In het besluit is te kennen gegeven dat het management hem nader zal informeren over de plaatsing.

1.3.

Bij besluit van 20 oktober 2014 (bestreden besluit) heeft het bestuur het bezwaar tegen het besluit van 9 april 2014, in afwijking van het advies van de Bezwarenadviescommissie, ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het bestuur ten grondslag gelegd dat de strafrechtelijke veroordeling wegens geweld tegen een politieagent onverenigbaar is met de functie van beveiliger, zodat de maatregel van overplaatsing naar een andere functie wordt gehandhaafd. Wel heeft het bestuur appellant een salarisgarantie op het niveau van schaal 5 gegeven.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat niet in geschil is dat sprake is van toerekenbaar plichtsverzuim. De rechtbank acht de disciplinaire maatregel van overplaatsing naar een andere functie met behoud van salarisschaal 5 niet onevenredig aan het door appellant gepleegde plichtsverzuim, gezien de aard en de ernst daarvan. Dat nog niet bekend is in welke functie appellant zal worden geplaatst, is onvoldoende om de maatregel onevenredig te achten. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de reden van die onbekendheid mede is gelegen in de omstandigheid dat appellant vanaf 28 november 2013 wegens ziekte is uitgevallen, dat pas onlangs is vastgesteld dat hij weer belastbaar is voor arbeid, maar dat hij nog last heeft van bepaalde beperkingen.

3. Bij brief van 15 april 2016 heeft het bestuur appellant alsnog geplaatst in de functie van logistiek medewerker (schaal 3) met behoud van schaal 5 en met een te treffen afbouwregeling voor de ORT. Tevens is hem een doorgroeiperspectief geboden, inhoudend dat, indien de geschiktheid van appellant uit beoordelingsgesprekken blijkt, het bestuur te zijner tijd bereid is een functie in het verlengde van de functie van logistiek medewerker met meer verantwoordelijkheden te overwegen.

4. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, in navolging van de Bezwarenadviescommissie, erop gewezen dat de evenredigheid van de disciplinaire maatregel niet goed kan worden beoordeeld zonder te weten in welke functie hij wordt overgeplaatst. Hoewel hierover met de brief van 15 april 2016 duidelijkheid is gekomen, blijft appellant van mening dat de opgelegde maatregel onevenredig zwaar is en dat een voorwaardelijk strafontslag meer op zijn plaats was geweest.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant de verweten gedraging heeft begaan, dat deze gedraging plichtsverzuim oplevert en dat hem dit plichtsverzuim is toe te rekenen. Partijen verschillen van mening over de rechtmatigheid van de opgelegde disciplinaire maatregel.

5.2.

Een overplaatsing bestaat uit twee componenten: een ontheffing uit de ene functie en de plaatsing in een andere functie.

5.3.

De Raad stelt vast dat de reikwijdte van de aan appellant opgelegde disciplinaire maatregel van overplaatsing pas met de onder 3 weergegeven brief van 15 april 2016, die als nadere motivering van het bestreden besluit dient te worden aangemerkt, volledig duidelijk is geworden. Dit betekent ook dat pas met deze brief een adequate beoordeling van de evenredigheid van de maatregel kon plaatsvinden. Nu het bestreden besluit zonder die duidelijkheid is genomen, dient dit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd. Het hoger beroep van appellant slaagt in zoverre. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad alsnog het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen.

5.4.

De Raad ziet, gelet op de brief van 15 april 2016, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven. Anders dan appellant acht de Raad de disciplinaire maatregel niet onevenredig aan de aard en ernst van het plichtsverzuim. Het bestuur heeft het plichtsverzuim terecht onverenigbaar geacht met zijn functie als [naam functie]. Het bestuur moet er volledig op kunnen vertrouwen dat een [naam functie] in conflictsituaties weet hoe te handelen en te de-escaleren. Dit geldt ook buiten diensttijd. Daarbij heeft het bestuur zwaar gewicht mogen toekennen aan het feit dat de beveiligingsdienst een nauwe relatie met de politie onderhoudt. Dat zijn handelen destijds is veroorzaakt door psychische- en echtscheidingsproblemen, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Dit volgt ook niet uit de in hoger beroep overgelegde brief van 8 juli 2015 van psycholoog drs. E.J. Kornman. Het bestuur heeft verder in voldoende mate rekening gehouden met de financiële gevolgen voor appellant door hem een salarisgarantie op het niveau van schaal 5 te geven en de ORT, waarop hij in zijn nieuwe functie geen recht heeft, af te bouwen. Dat de opgedragen functie van een lager niveau is dan het opleidings- en werkniveau van appellant en minder verantwoordelijkheden meebrengt, verdraagt zich met het strafelement van de onderhavige disciplinaire maatregel. Overigens heeft het bestuur hem een doorgroeiperspectief geboden. Dat appellant elf jaar goed heeft gefunctioneerd, maakt de maatregel evenmin onevenredig. De stelling dat een voorwaardelijk ontslag meer op zijn plaats zou zijn, kan hem niet baten. Dat een andere disciplinaire maatregel ook mogelijk zou zijn geweest, maakt de opgelegde maatregel niet onrechtmatig.

6. De Raad ziet, gelet op wat in 5.3 is overwogen, aanleiding het bestuur op grond van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 992,- en in hoger beroep tot een bedrag van € 992,- wegens verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep;

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 20 oktober 2014 gegrond en vernietigt dit besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt het bestuur in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een

bedrag van in totaal € 1.984,-;

- bepaalt dat het bestuur aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 413,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.M. Heijs als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2016.

(getekend) E.J.M. Heijs

(getekend) C.A.W. Zijlstra

HD