Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2063

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
06-06-2016
Zaaknummer
15/4933 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Recht op bijstand kan niet worden vastgesteld. Appellant heeft niet gemeld dat hij niet meer woont op het uitkeringsadres. Schending inlichtingenverplichting. Intrekking en terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/4933 PW

Datum uitspraak: 31 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 5 juni 2015, 15/2383 en 15/3662 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], appellant

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.A.H. van Huijgevoort, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2016. Namens appellant is verschenen mr. Van Huijgevoort. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

F.J.W. de Bruijn en T.P.H. Hendriks.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 13 september 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Vanaf 1 juni 2012 stond appellant in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans Basisregistratie personen) ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres), waar hij een kamer huurde. De verhuurder heeft op 23 januari 2015 tijdens een onderzoek naar de woon- en leefsituatie van een andere bijstandsgerechtigde, die eveneens een kamer huurde op het uitkeringsadres, verklaard dat appellant al geruime tijd niet meer op het uitkeringsadres verbleef en de huur van zijn kamer per 1 juni 2014 had opgezegd.

1.2.

Bij besluit van 2 februari 2015 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 juni 2014 ingetrokken. Bij besluit van 11 februari 2015 heeft het college de over de periode van 1 juni 2014 tot en met 31 januari 2015 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 8.021,20 van appellant teruggevorderd. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden omdat hij niet heeft gemeld dat hij niet meer woont op het uitkeringsadres en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

1.3.

Bij besluit van 4 mei 2015 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 2 en 11 februari 2015 ongegrond verklaard. Met de door appellant in bezwaar overgelegde schriftelijke verklaring van [naam P] (P), inhoudende dat appellant vanaf 1 juni 2014 woonachtig is aan de [adres] te [woonplaats], heeft appellant onvoldoende onderbouwd dat hij daadwerkelijk vanaf 1 juni 2014 op dat adres woonachtig is geweest en huur heeft voldaan. Daarbij heeft het door appellant overgelegde kamerhuurcontract van dat adres een ingangsdatum van 20 februari 2015.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard .

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft aangevoerd dat hij met het overleggen van een schriftelijke verklaring van P en een kamerhuurcontract voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanaf 1 juni 2014 een kamer huurt bij P aan de [adres] te [woonplaats]. Nu bekend is waar appellant vanaf 1 juni 2014 woont, kan het recht op bijstand volgens appellant wel worden vastgesteld.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 juni 2014 tot en met 2 februari 2015.

4.2.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.3.

Niet in geschil is dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door niet bij het college te melden dat hij in de te beoordelen periode niet langer woonachtig was op het uitkeringsadres. Tussen partijen is in geschil of het recht op bijstand in de te beoordelen periode kan worden vastgesteld.

4.4.

Uit de door appellant in bezwaar overgelegde verklaring van P blijkt dat P de huurder is van de woning aan de [adres] te [woonplaats], dat zij vanaf 1 juni 2014 aan appellant een kamer in haar woning verhuurt en dat appellant daarvoor € 250,- per maand betaalt. Uit het kamerhuurcontract, dat door P en appellant is ondertekend op 20 februari 2015, blijkt echter dat P de kamer eerst met ingang van 20 februari 2015 aan appellant verhuurt. De stelling van appellant dat vanaf 1 juni 2014 sprake was van een mondelinge huurovereenkomst en dat het overgelegde kamerhuurcontract daarvan de voortzetting is, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt. Van de door appellant gestelde contante betalingen van de huursom vanaf 1 juni 2014 zijn bijvoorbeeld kwitanties noch andere bewijsstukken, waaruit deze betalingen zouden kunnen blijken, overgelegd. Ook anderszins ontbreken objectieve en verifieerbare gegevens waaruit zou kunnen blijken dat appellant in de te beoordelen periode daadwerkelijk woonachtig was op het adres [adres] te [woonplaats]. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 juni 2014 niet kon worden vastgesteld.

4.5.

Gelet op wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd en op de onder 4.4 genoemde stukken, ziet de Raad geen aanleiding om P als getuige ter zitting te horen.

4.6.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van P.C. de Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2016.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) P.C. de Wit

JL