Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2061

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
06-06-2016
Zaaknummer
14/6853 NIOAW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging maatregel. Verlaging bijstand met 50% over de maanden juli 2013 en augustus 2013 op de grond dat appellant niet naar vermogen heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Niet gebleken dat iedere vorm verwijtbaarheid ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/6853 NIOAW

Datum uitspraak: 31 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

5 november 2014, 14/730 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.R. Jonkman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tegelijk met de behandeling van de gevoegde zaken

14/6854 NIOAW en 14/6855 NIOAW tussen dezelfde partijen, plaatsgevonden op 19 april 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Jonkman. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.V. Tuchkova. In de zaken 14/6854 NIOAW en

14/6855 NIOAW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, die werkzaam is geweest als portier bij een universiteit, is in de loop van 2009 wegens een reorganisatie ontslagen. Hij ontvangt, na afloop van zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet, sinds 1 mei 2012 een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW).

1.2.

Vanaf juli 2012 heeft appellant deelgenomen aan het re-integratietraject Individuele Trajectbegeleiding (ITB-traject). In dat kader heeft de trajectbegeleider regelmatig gesprekken gevoerd met appellant om de voortgang van het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid te bespreken. Bij brief van 19 februari 2013 heeft de trajectbegeleider appellant geïnformeerd dat een aantal arbeidsmarktinstrumenten wordt ingezet om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten, waaronder coachingsgesprekken, het inschakelen van het Werkgevers Servicepunt en de inzet op vrijwilligerswerk.

1.3.

Bij besluit van 11 april 2013 heeft het dagelijks bestuur als maatregel de uitkering van appellant verlaagd met 50% over de maand april 2013 op de grond dat appellant de voortgang van zijn traject ernstig heeft belemmerd door niet mee te werken aan het vinden van vrijwilligerswerk.

1.4.

Op 18 juni 2013 heeft de trajectbegeleider appellant uitgenodigd voor een voortgangsgesprek op 27 juni 2013 en hem verzocht bewijsstukken van tenminste vijf sollicitaties over te leggen. Bij brief van 19 juni 2013 heeft de trajectbegeleider een vacature voor conciërge bij de [scholengemeenschap 1] aan appellant doorgestuurd. Daarbij heeft de trajectbegeleider appellant verzocht hierop te solliciteren en bewijs van de sollicitatie mee te nemen naar het voortgangsgesprek. Tijdens het voortgangsgesprek op 27 juni 2013 heeft appellant meegedeeld dat zijn computer stuk is. Hij kan wel bij kennissen zijn e-mail checken, maar hij kan niet bij zijn curriculum vitae (cv) die op zijn computer staat. Ook heeft hij de vacature bij [scholengemeenschap 1] niet kunnen vinden op de website. De trajectbegeleider heeft daarop aangeboden het cv van appellant naar zijn hotmail adres door te mailen. Daarnaast heeft de trajectbegeleider een vacature voor conciërge bij de [scholengemeenschap 2] aan appellant overhandigd en appellant verzocht hierop te solliciteren. Met appellant is afgesproken dat hij alsnog zijn sollicitaties moet doormailen en dat de trajectbegeleider het cv van appellant zal doormailen naar appellant. Bij e-mailbericht van 2 juli 2013 heeft de trajectbegeleider de gemaakte afspraken bevestigd en appellant verzocht om uiterlijk 5 juli 2013 bewijzen van zijn sollicitaties over te leggen. Op 15 juli 2013 heeft appellant zijn trajectbegeleider geïnformeerd dat zijn computer stuk was waardoor hij niet tijdig, maar pas op 13 juli 2013 heeft kunnen solliciteren.

1.6.

Bij besluit van 25 juli 2013 heeft het dagelijks bestuur als maatregel de uitkering verlaagd met 100% over de maand juli 2013 op de grond dat appellant niet naar vermogen heeft getracht algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen. Het dagelijks bestuur heeft daartoe gesteld dat appellant niet tijdig heeft gereageerd op twee door zijn trajectbegeleider aangedragen vacatures, waardoor hij niet is meegenomen in de sollicitatieprocedure voor deze vacatures. Omdat bij besluit van 11 april 2013 al een maatregel was opgelegd, is sprake van recidive.

1.7.

Bij besluit van 16 december 2013 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar tegen het besluit van 25 juli 2013 gegrond verklaard en dat besluit herroepen, in die zin dat de bijstand over de maanden juli 2013 en augustus 2013 wordt verlaagd met 50%. Het dagelijks bestuur heeft daartoe gesteld dat op grond van de Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2013 bij recidive de duur van de maatregel wordt verdubbeld en niet het percentage. Het dagelijks bestuur heeft de grondslag van de maatregel voor het overige gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant niet tijdig heeft gesolliciteerd op twee door de trajectbegeleider aangedragen vacatures voor conciërge. In geschil is of het niet tijdig solliciteren appellant kan worden verweten.

4.2.

Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet in staat was tijdig te solliciteren. Appellant had bij gebrek aan een computer gebruik kunnen maken van een computer bij kennissen of op het werkplein. Tijdens het gesprek op 27 juni 2013 heeft appellant ook bevestigd dat hij de mogelijkheid had om bij kennissen gebruik te maken van een computer. Appellant heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt en hij heeft ook geen andere acties ondernomen om toch tijdig te kunnen solliciteren. De stelling van appellant dat hij niet over zijn cv kon beschikken om te kunnen solliciteren, kan niet worden gevolgd. De trajectbegeleider heeft het cv van appellant doorgemaild naar het hotmail adres van appellant zodat hij hierover op iedere computer kon beschikken. Voor zover appellant niet wist hoe hij het doorgemailde cv in een ander e-mailbericht moest bijvoegen, had hij hiervoor de hulp van zijn trajectbegeleider of een derde kunnen inroepen. Gelet op deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.L. Boxum en

J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2016.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) C. Moustaïne

IJ