Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2058

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
14/4422 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen. In periode 1 gehuwd en niet duurzaam gescheden levend. Niet gebleken onvoldoende geïnformeerd over inlichtingenverplichting. In periode 2 gescheiden. Rechtsvermoeden artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, WWB van toepassing. Voor gezamenlijke huishouding uitsluitend van belang hoofdverblijf in dezelfde woning. Onderzoek toereikend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4422 WWB

Datum uitspraak: 31 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 juli 2014, 13/6496 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van Werk en Inkomen Lekstroom (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Als gevolg van een gemeenschappelijke regeling oefent het dagelijks bestuur sinds 1 mei 2013 de bevoegdheden in het kader van de Wet werk en bijstand (WWB) uit, die voordien werden uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders van Houten. In deze uitspraak wordt onder het dagelijks bestuur mede verstaan het college van burgemeester en wethouders van Houten.

Namens appellante heeft mr. B.J.M. de Leest, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 maart 2016. Appellante, daartoe opgeroepen, is verschenen, bijgestaan door mr. De Leest. Het dagelijks bestuur, daartoe eveneens opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door P.A. van der Ven.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is van 5 oktober 1988 tot 4 mei 2006 gehuwd geweest met [naam A] (A). Uit hun huwelijk zijn vier kinderen geboren.

1.2.

Appellante ontving over de periode van 14 mei 2003 tot 28 december 2011 bijstand, aanvankelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) en naderhand ingevolge de WWB, naar de norm voor een alleenstaande ouder. Appellante staat sinds 25 januari 2010 met de vier kinderen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA, thans basisregistratie personen) ingeschreven op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres). Daarvoor stond zij vanaf 26 juli 1996 ingeschreven op het adres [adres 2] te [woonplaats] . Op dat laatste adres hebben appellante en A tot 6 mei 2003 samengewoond. A heeft vanaf 6 mei 2003 ingeschreven gestaan op het adres [GBA-adres van A] te [plaatsnaam] (GBA-adres van A). Per 28 december 2011 heeft A zich ingeschreven op het uitkeringsadres.

1.3.

Naar aanleiding van een tip dat tussen appellante en A sprake was van een schijnverlating heeft de Regionale Sociale Recherche Nieuwegein (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht, negen getuigen gehoord, waaronder buren van het uitkeringsadres en het voormalige woonadres van appellante en de bewoners van het GBA-adres van A, verbruiksgegevens opgevraagd van onder meer het GBA-adres van A, verkeersgegevens telefonie van twee mobiele nummers van A opgevraagd en appellante en A verhoord. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 24 augustus 2012.

1.4.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het dagelijks bestuur aanleiding geweest om bij besluit van 10 januari 2013, als gecorrigeerd bij besluit van 18 maart 2013 en na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 november 2013 (bestreden besluit), de bijstand van appellante over de periode van 14 mei 2003 tot en met 27 december 2011 in te trekken en de over die periode gemaakte kosten van bijstand van haar terug te vorderen tot een bedrag van € 142.138,23. Aan de besluitvorming heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellante vanaf 14 mei 2003 tot 4 mei 2006 niet duurzaam gescheiden leefde van A en dat zij vanaf 4 mei 2006 tot en met 27 december 2011 met A een gezamenlijke huishouding voerde eerst op het adres [adres 2] en later op het uitkeringsadres. Appellante heeft daarvan ten onrechte geen mededeling gedaan aan het college.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij de beoordeling dienen twee periodes te worden onderscheiden. In de periode van

14 mei 2003 tot 4 mei 2006 was appellante nog met A gehuwd (periode 1).

4.2.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt als ongehuwd mede aangemerkt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is. De Abw kent een overeenkomstige bepaling. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van

30 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO6538) is van duurzaam gescheiden leven van echtgenoten sprake indien het een door beide betrokkenen, of een van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenleving betreft, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één van hen als bestendig is bedoeld.

4.3.

Ter zitting heeft appellante toegegeven dat zij in periode 1 niet duurzaam gescheiden leefde van A. Zij heeft echter aangevoerd dat het dagelijks bestuur is tekortgeschoten in zijn voorlichtende taak als gevolg waarvan het voor haar onduidelijk was wat zij moest melden. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de verplichtingen van appellante onder meer zijn opgenomen in de toekenningsbeschikking van 17 juni 2003. Voor zover het appellante onduidelijk was wat zij omtrent de situatie met A aan het dagelijks bestuur diende te melden, had het op haar weg gelegen om daarover duidelijkheid te vragen bij het dagelijks bestuur. De omstandigheden dat appellante bij de intake gebruik heeft gemaakt van haar dertienjarige dochter als tolk, dat het dagelijks bestuur na de gestelde verlating door A niet heeft gevraagd naar een omgangsregeling en dat het dagelijks bestuur na de geboorte van het jongste kind in 2004 geen navraag heeft gedaan, ontslaan appellante niet van haar inlichtingenverplichting.

4.4.

Voor de periode van 4 mei 2006 tot en met 27 december 2011 (periode 2) dient de vraag te worden beantwoord of appellante en A een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

4.5.

Op grond van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB, voor zover hier van belang, wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren.

4.6.

Omdat uit de relatie van appellante en A vier kinderen zijn geboren, is voor de beantwoording van de vraag of in periode 2 sprake was van een gezamenlijke huishouding, uitsluitend van belang of sprake is geweest van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning.

4.7.

Appellante en A stonden in periode 2 op afzonderlijk adressen ingeschreven. Dat gegeven staat op zichzelf niet in de weg aan het hebben van een hoofdverblijf in dezelfde woning op één van die adressen. Zie het arrest van de Hoge Raad van 13 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:556 en de uitspraak van de Raad van 27 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3723.

4.8.

De in aanmerking te nemen onderzoeksbevindingen bieden, in onderlinge samenhang bezien, een toereikende grondslag voor het oordeel dat gedurende periode 2 sprake was van een situatie waarin appellante en A hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.

4.8.1.

Voor dit oordeel komt in de eerste plaats zwaarwegende betekenis toe aan de verklaringen die de omwonenden van het adres [adres 2] en het uitkeringsadres op

2 april 2012 en de bewoners van het GBA-adres van A ten overstaan van de sociale recherche hebben afgelegd. De buurtbewoners [buurtbewoner 1] , [buurtbewoner 2] en [buurtbewoner 3] hebben eenduidig verklaard dat tot een jaar of twee, drie geleden op het adres [adres 2] een gezin heeft gewoond bestaande uit man, vrouw en vier kinderen. [buurtbewoner 1] , die er ongeveer zestien jaar woont, heeft voorts verklaard dat toen zij daar kwam wonen, een Iraakse man met zijn neef boven haar woonden, dat de neef op een gegeven moment is verhuisd en dat de andere man er is blijven wonen en dat zijn vrouw met het oudste kind, toen zes jaar, naar Nederland is gekomen en ook boven haar is komen wonen. Verder heeft zij verklaard dat in de latere jaren er nog drie kinderen zijn geboren. Op de vraag wat de man voor de kost deed, heeft [buurtbewoner 1] verklaard dat niet te weten, maar dat zij veel bezig waren met auto’s en dat hij veel werkte en veel stond te bellen in het trappenhuis. De buurtbewoners [buurtbewoner 4] , [buurtbewoner 5] en [buurtbewoner 6] hebben eenduidig verklaard dat op het uitkeringsadres een gezin woont, bestaande uit een man, vrouw en vier kinderen. [buurtbewoner 4] en [buurtbewoner 6] hebben verklaard dat zij vanaf het begin in die samenstelling op het uitkeringsadres wonen. [buurtbewoner 4] heeft voorts verklaard dat zij de man iedere dag ziet zolang zij hier wonen. De bewoners van het GBA-adres van A hebben tot slot verklaard dat A alleen in 2008 een paar maanden op dat adres heeft gewoond.

4.8.2.

Verder komt betekenis toe aan de verklaring van de werkgever van A en aan de verkeersgegevens telefonie van twee mobiele nummers van A. De werkgever van A heeft op 27 juni 2012 verklaard dat A sinds 2003 als contactadres [adres 2] heeft en dat dat per juni 2008 is gewijzigd naar het uitkeringsadres. Uit de verkeersgegevens telefonie blijkt dat in de periode van 10 april 2011 tot en met 27 december 2011 op beide nummers het eerste contact in de ochtend en het laatste contact op de dag meestal vanuit [woonplaats] was.

4.8.3.

Ten slotte is van belang dat appellante en A zelf hebben verklaard dat A weliswaar op een ander adres stond ingeschreven, maar dat hij bijna dagelijks overdag bij appellante was voor de kinderen en om in verband met de cultuur de schijn op te houden dat zij niet gescheiden waren. A heeft voorts verklaard dat hij in periode 2 twee jaar voor appellante en de kinderen heeft gezorgd wegens ziekte van appellante.

4.8.4.

Appellante heeft beroepsgronden gericht tegen de gebruikmaking van de onder 4.8.1 bedoelde getuigenverklaringen. Zij heeft aangevoerd dat aan de verklaringen van de bewoners in de buurt van het adres [adres 2] en het uitkeringsadres geen waarde kan worden toegekend. Appellante heeft geen direct contact met hen en zij gaan volgens appellante alleen af op de buitenkant, maar weten niet wat er echt speelt. Voorts heeft zij aangevoerd dat de sociale recherche bij de bewoners van het GBA-adres van A niet goed heeft doorgevraagd. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het gaat bij de onder 4.8.1 genoemde getuigen onder meer om directe buren van het adres [adres 2] en het uitkeringsadres. Met name de verklaringen van de buurtbewoners [buurtbewoner 1] en [buurtbewoner 4] bevatten niet alleen hun indruk dat sprake is van bewoning van de woning aan [adres 2] en aan het uitkeringsadres door een gezin (man, vrouw en kinderen), maar bevatten voldoende feitelijke gegevens daarover. De bewoners van het GBA-adres van A zijn voorts twee maal bevraagd, zodat van een onzorgvuldig onderzoek geen sprake is. Uit de in hoger beroep overgelegde processen-verbaal van het verhoor van de bewoners van het GBA-adres in de strafzaak tegen appellante valt evenmin af te leiden dat het onderzoek op dat punt niet deugdelijk is geweest. Appellante heeft voorts geen objectieve gegevens naar voren gebracht aan de hand waarvan moet worden vastgesteld dat de getuigenverklaringen niet juist kunnen zijn.

4.9.

Appellante heeft aan het college geen mededeling gedaan van de omstandigheid dat over periode 1 geen sprake was van duurzaam gescheiden leven van A en evenmin van het gezamenlijk hoofdverblijf van haar en A in dezelfde woning en daarmee van het voeren van een gezamenlijk huishouding van 4 mei 2006 tot en met 27 december 2011. Daarmee heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Dit betekent dat het college bevoegd was de aan appellante ten onrechte verleende bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder over de periode van 14 mei 2003 tot en met 27 december 2011 met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB in te trekken. De wijze waarop van die bevoegdheid gebruik is gemaakt is in hoger beroep niet bestreden.

4.10.

Tegen de terugvordering heeft appellante geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.11.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut als voorzitter en J.L. Boxum en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van A. Mansourova als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2016.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) A. Mansourova

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over duurzaam gescheiden leven en gezamenlijke huishouding.

HD