Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2056

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
14-06-2016
Zaaknummer
15/5035 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Volstaan kan hier met bezwaargronden. Raad doet zelf af. Voldoende grondslag voor standpunt hoofdverblijf op adres 2. Appellante kan niet als dakloze worden aangemerkt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 6:5
Algemene wet bestuursrecht 6:6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABKort 2016/230
USZ 2016/276
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/5035 WWB

Datum uitspraak: 31 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

8 juni 2015, 14/1261 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.J. de Kaste, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2016. Namens appellante is verschenen mr. De Kaste. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. J.M. Dekker-Koenders.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 8 september 2011 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag als dakloze. Appellante heeft volgens haar opgave geen vaste woon- en verblijfplaats en maakt gebruik van een postadres. Dit postadres is [adres 1] te [woonplaats] .

1.2.

Naar aanleiding van onduidelijkheid over de woonsituatie van appellante, is een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan haar verleende bijstand. In dat kader heeft het college op 4 september 2013 een gesprek gevoerd met appellante waarbij zij te kennen heeft gegeven dat haar post en persoonlijke spullen bij de heer [V] op het adres [adres 2] te [woonplaats] liggen. Aansluitend heeft een huisbezoek plaatsgevonden op laatstgenoemd adres. Tevens heeft een buurtonderzoek plaatsgevonden.

1.3.

Bij besluit van 11 september 2013 heeft het college de bijstand met ingang van

4 september 2013 opgeschort. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat onvoldoende duidelijkheid bestaat over de woonsituatie van appellante, waarbij appellante niet de informatie heeft verstrekt die noodzakelijk is voor de voortzetting van de bijstand. Daarbij is appellante nogmaals in de gelegenheid gesteld om duidelijkheid te verschaffen over haar woonsituatie en opnieuw uitgenodigd voor een gesprek.

1.4.

Bij besluit van 9 oktober 2013 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 4 september 2013 ingetrokken op de grond dat appellante geen aanspraak kan maken op bijstand in het kader van de regeling voor daklozen nu zij geen (zwervende) dakloze is. Appellante heeft haar hoofdverblijf op het adres [adres 2] te [woonplaats] .

1.5.

Bij besluit van 10 februari 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 11 september 2013 en 9 oktober 2013 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden. Hieraan heeft de rechtbank ten grondslag gelegd dat niet is gebleken dat appellante nadere gronden van het beroep heeft ingediend en dat geen duidelijkheid bestaat omtrent de partijen verdeeld houdende punten. Niet is voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, aanhef en eerste lid, onderdeel d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Volgens haar zijn wel voldoende gronden tegen het bestreden besluit aangevoerd. Verder heeft zij deze gronden nader toegelicht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ontvankelijkheid van het beroep

4.1.

In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:6 van de Awb kan, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb, het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

4.2.

Naar vaste rechtspraak worden in het algemeen geen hoge eisen gesteld aan de motivering van een bezwaar- of beroepschrift (zie onder meer de uitspraken van

22 augustus 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AD3946, en 15 maart 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP8123). Dit brengt mee dat in de regel ook bij een in het beroepschrift gegeven summiere motivering van het beroep zal kunnen worden aangenomen dat daarmee is voldaan aan het vereiste van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb. Dit neemt echter niet weg dat het beroepschrift, hoe summier ook verwoord, een concrete beroepsgrond dient te bevatten. Een belanghebbende kan er dus niet mee volstaan mee te delen dat hij het niet eens met een bepaald besluit, maar hij dient tevens aan te geven op welk punt of welke punten en waarom hij het niet met dat besluit eens is.

4.3.

In dit geval heeft appellante kunnen volstaan met een verwijzing naar haar in de bezwaarfase ingediende gronden aangezien het college bij het bestreden besluit zijn besluiten van 11 september 2013 en 9 oktober 2013 heeft gehandhaafd, zonder de aan die besluiten ten grondslag gelegde motivering te hebben gewijzigd. Daardoor bestond in dit geval voldoende duidelijkheid omtrent de punten die partijen verdeeld hielden met betrekking tot het hier in geding zijnde bestreden besluit.

4.4.

Gelet op 4.1 tot en met 4.3, heeft de rechtbank ten onrechte het beroep van appellante tegen het bestreden besluit niet-ontvankelijk verklaard. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Met het oog op een finale beslechting van het geschil en na een inhoudelijke behandeling van het geschil ter zitting, bestaat geen aanleiding om de zaak terug te wijzen naar de rechtbank. Met toepassing van artikel 8:116 van de Awb zal de Raad de zaak zelf afdoen.

Opschorting en intrekking

4.5.

Ter zitting heeft appellante de gronden tegen de opschorting laten vallen, zodat uitsluitend ter beoordeling voorligt of de intrekking van de bijstand ingaande

4 september 2013 in rechte stand kan houden.

4.6.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit.

Dat betekent dat de hier te beoordelen periode loopt van 4 september 2013 tot en met

9 oktober 2013.

4.7.

De vraag waar iemand zijn woonadres heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. De betrokkene is verplicht juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken, aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

4.8.

De onderzoeksbevindingen bieden een toereikende grondslag voor het standpunt van het college dat appellante in de hier te beoordelen periode haar hoofdverblijf had op het adres [adres 2] te [woonplaats] . Appellante kan dan ook niet als dakloze worden aangemerkt. Daartoe is van belang dat appellante op 4 september 2013 heeft verklaard dat de meeste van haar spullen bij [V] op het adres [adres 2] liggen. Dit betreft haar post, haar persoonlijke spullen en haar administratie. Daarnaast zijn de bevindingen van het eveneens op 4 september 2013 verrichte huisbezoek op het adres [adres 2] te [woonplaats] van belang. In de slaapkamer die appellante in gebruik heeft stonden foto’s van haar kleinkinderen, die overeen kwamen met de foto’s die beneden in de woonkamer op het dressoir stonden. In de kamer naast haar slaapkamer stond een kledingkast met vier schuifdeuren die geheel gevuld was met zowel zomer- als winterkleding van appellante. Ook een andere kast was in gebruik bij appellante. Beneden in de keuken hing op de koelkastdeur een soort foto-kalender waarop onder meer appellante en [V] stonden. Uit de verklaringen van buren in het kader van het buurtonderzoek kwam naar voren dat appellante en [V] al een aantal jaren op het adres [adres 2] wonen.

4.9.

Aan de door appellante in bezwaar overgelegde verklaringen van getuigen die verklaren dat appellante wel eens bij hen overnacht, kan niet het gewicht worden toegekend dat appellante hieraan toedicht. Uit deze verklaringen blijkt niet over welke periode zij hebben verklaard en hoe vaak appellante bij hen heeft overnacht.

4.10.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit in stand kan worden gelaten, zodat het beroep daartegen ongegrond moet worden verklaard. Gelet op deze uitkomst bestaat geen grond voor veroordeling van het college tot vergoeding van schade, zodat het verzoek om vergoeding van schade zal worden afgewezen.

5. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellante in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 992,- voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 10 februari 2014 ongegrond;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 992,-;

- bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 123,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en J.L. Boxum en

J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van C. Moustaïne als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2016.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) C. Moustaïne

HD