Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2053

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
06-06-2016
Zaaknummer
14/6269 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking ZW-uitkering. Geschiktheid eigen arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0614
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6269 ZW

Datum uitspraak: 1 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

6 oktober 2014, 14/1536 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W. Hoebba, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2016. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.

Vanuit een situatie dat hij uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving heeft appellant zich op 6 maart 2013 ziek gemeld.

1.2.

Bij besluit van 31 oktober 2013 heeft het Uwv de uitkering van appellant ingevolge de Ziektewet met ingang van 7 november 2013 beƫindigd, omdat appellant per die datum weer in staat werd geacht zijn eigen arbeid als schoonmaker te verrichten. Aan dat besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts van 31 oktober 2013 ten grondslag.

1.3.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 oktober 2013 is door het Uwv bij besluit van 3 februari 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dat besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 januari 2014 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen twijfel bestaat over de zorgvuldigheid en de juistheid van het door het Uwv uitgevoerde medisch onderzoek. Appellant heeft zijn standpunt niet met (medische) stukken onderbouwd.

3. In hoger beroep heeft appellant, onder overlegging van een aantal stukken van medische aard, aangevoerd dat appellant zijn rechterhand moeilijk kan gebruiken. Hij heeft een zogenaamde malletvinger. Onvoldoende onderzocht is of appellant de schrobmachine, die hij gebruikte bij de uitoefening van zijn werkzaamheden, nog kan gebruiken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Appellant heeft diverse medische stukken ingezonden, betrekking hebbende op de problemen aan zijn rechterhand, met name de malletvinger. Niet gebleken is van verdergaande problemen aan de rechterarm van appellant. In de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 januari 2014 en 16 januari 2015 is voldoende gemotiveerd dat appellant in staat moet worden geacht zijn werkzaamheden als schoonmaker te verrichten, ook indien daarbij een schrobmachine wordt gebruikt. Daarbij is uitgegaan van de door appellant aangeleverde informatie van zijn behandelaars. Het oordeel van de rechtbank wordt derhalve onderschreven.

5.2.

Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016.

(getekend) E.W. Akkerman

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

NK