Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2048

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
06-06-2016
Zaaknummer
15/1710 WWAJ
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2015:765, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wet Wajong. Juist standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat terecht de diagnose ‘zeer lichte verstandelijke beperking’ is gesteld en dat appellant met de in de FML gestelde beperkingen en de hulp van derden in de werksfeer passende werkzaamheden kan verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1710 WWAJ

Datum uitspraak: 1 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

6 februari 2015, 14/5261 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door P.F. Wong Loi Sing. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1992, heeft op 11 februari 2014 een aanvraag ingediend om arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong).

1.2.

Naar aanleiding van deze aanvraag heeft een verzekeringsarts het dossier bestudeerd en appellant op het spreekuur gezien. In zijn rapport van 14 april 2014 heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat appellant een zeer lichte verstandelijke beperking heeft, dat hij in het dagelijks leven zelfstandig functioneert, maar hulp nodig heeft bij ingewikkelder taken als administratie. Hij is in staat tot het aangaan en onderhouden van contacten. Ten aanzien van ingewikkelder sociale situaties, zoals het omgaan met conflicten is hij beperkt. Hij is aangewezen op vaste bekende werkwijzen, de werkzaamheden dienen niet te stresserend te zijn. Appellant zou gebaat kunnen zijn bij een jobcoach. De verzekeringsarts heeft in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 14 april 2014 beperkingen opgenomen voor persoonlijk en sociaal functioneren. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige functies geselecteerd die appellant met inachtneming van deze beperkingen kan verrichten. Dit betreft de functies samensteller metaalwaren (SBC-code 264140), medewerker tuinbouw (SBC-code 111010) en magazijn, expeditiemedewerker (SBC-code 111220). In haar rapport van 15 april 2014 heeft de arbeidsdeskundige geconcludeerd dat op basis van het inkomen dat met deze functies verdiend kan worden de mate van arbeidsongeschiktheid 0% bedraagt. Bij besluit van 15 april 2014 is de aanvraag afgewezen.

1.3.

Bij besluit van 14 juli 2014 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 april 2014 ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 juni 2014 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 9 juli 2014.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onderschreven dat terecht de diagnose ‘zeer lichte verstandelijke beperking’ is gesteld en dat appellant met de in de FML gestelde beperkingen en de hulp van derden in de werksfeer passende werkzaamheden kan verrichten. De in beroep overgelegde rapporten van klinisch psychologe B.W. Roelofs-van Bon van 13 juni 2007 en Pameijer van 9 juli 2010 waren in bezwaar al bekend en zijn door de verzekeringsartsen meegewogen. Deze rapporten noch de brief van appellants advocaat van 9 januari 2015 bieden aanknopingspunten dat het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt onjuist is.

Het is de rechtbank voorts niet gebleken dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van appellant overschrijdt.

3. In hoger beroep heeft appellant staande gehouden dat zijn medische beperkingen onderschat zijn. Als gevolg van hersenbeschadiging bij de bevalling en een verstoorde psychologische ontwikkeling is appellant meer dan licht verstandelijk beperkt. Hij is zeer beïnvloedbaar en heeft steeds waakzame mensen om zich heen nodig en een prikkelarme omgeving om zich in het dagelijks leven staande te kunnen houden. Hij wordt al jaren door een mantelzorger ondersteund. De aanvraag om een Wajong-uitkering is ingediend nadat het voor de mantelzorg en de omgeving van appellant onomstotelijk vaststond dat zijn kansen op arbeid nihil zijn en hij nooit een inkomen zal kunnen verwerven. Appellant acht zich daarom volledig en duurzaam arbeidsongeschikt. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft hij gewezen op de onder 2 vermelde rapporten.

4. Verweerder heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Het oordeel en de overwegingen van de rechtbank worden onderschreven. Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de vaststelling van zijn medische beperkingen door de verzekeringsartsen. In de FML zijn beperkingen opgenomen voor persoonlijk functioneren (routine-afhankelijk, veelvuldige feedback en/of intensieve begeleiding, geen veelvuldige storingen, onderbrekingen, deadlines of productiepieken) en sociaal functioneren (geen solitaire functie, geen werk met leidinggevende aspecten). Appellant heeft in hoger beroep geen (nieuwe) medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat deze beperkingen niet toereikend zijn.

5.2.

In de FML is bij 1.9.3 aangegeven dat appellant is aangewezen op werk dat onder rechtstreeks toezicht (veelvuldige feedback) en/of onder intensieve begeleiding wordt uitgevoerd. Als toelichting is daarbij vermeld dat de betrokkene in staat is eenvoudige handelingen zelf uit te voeren en er zolang het werk volgens een vast patroon wordt verricht geen problemen zijn. Bij veranderingen of problemen moet de persoon om hulp kunnen vragen of hulp aangeboden krijgen en bij verandering van werkzaamheden heeft hij bijvoorbeeld meer instructie nodig dan een collega. Bij 1.12.6 is vermeld dat er overige specifieke voorwaarden gelden voor het functioneren in arbeid, met als toelichting ‘jobcoach’. Over de begeleidingsbehoefte van appellant en de vraag of daar in de geselecteerde functies aan kan worden voldaan, heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 april 2015 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

7 mei 2015 overgelegd. Na overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat omdat het zelfstandigheidsniveau in de geduide functies niet verder gaat dan een minimale invulling door de functionaris en er hulp bij andere collega’s/leidinggevenden gevraagd kan worden, voldaan kan worden aan de noodzaak tot begeleiding als omschreven bij punt 1.9.3 van de FML. Ter zitting heeft de gemachtigde van het Uwv toegelicht dat waar de verzekeringsarts in zijn rapport van 14 april 2014 heeft gesteld dat appellant baat zou kunnen hebben bij een jobcoach en de jobcoach als toelichting bij punt 1.12.6 van de FML is vermeld, een jobcoach in het geval van appellant niet is bedoeld als voorwaarde om in de geduide functies te kunnen functioneren, maar dat de noodzakelijke begeleiding geboden kan worden door collega’s op de werkvloer. Met de nadere rapporten van 18 april 2015 en 7 mei 2015 en deze toelichting is, mede in aanmerking genomen dat het gaat om eenvoudige, productiematige functies, voldoende gemotiveerd dat aan de begeleidingsbehoefte van appellant, zoals vermeld onder 1.9.3 van de FML, in de geduide functies kan worden voldaan.

5.3.

De stelling van appellant dat hij nooit een arbeidsinkomen zal kunnen verwerven kan niet leiden tot toekenning van uitkering op grond van de Wet Wajong, nu de kansen op de arbeidsmarkt geen rol spelen bij de beoordeling van de arbeids(on)geschiktheid in het kader van deze wet.

5.4.

Uit wat onder 5.1 tot en met 5.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016.

(getekend) E. Dijt

(getekend) N. van Rooijen

JvC