Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2045

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-06-2016
Datum publicatie
06-06-2016
Zaaknummer
15/1646 WWAJ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet Wajong. Er kan niet op verantwoorde wijze worden vastgesteld dat appellant op zijn 17e verjaardag en 52 weken nadien arbeidsongeschikt is geweest. Zorgvuldig onderzoek verzekeringsarts bezwaar en beroep. Het Uwv heeft terecht waarde gehecht aan de omstandigheid dat appellant een relevant arbeidsverleden heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

15/1646 WWAJ

Datum uitspraak: 1 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 29 januari 2015, 15/5064 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P. Goettsch, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 april 2016. Voor appellant is verschenen mr. Goettsch. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.

OVERWEGINGEN

1. Op 14 januari 2014 heeft het Uwv van appellant een aanvraag ontvangen voor een uitkering op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong). Appellant, geboren op 8 september 1977, acht zich op 17/18-jarige leeftijd arbeidsongeschikt als gevolg van een verstandelijke beperking. Op grond van verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 27 februari 2014 afwijzend beslist op die aanvraag, onder de overweging dat niet kan worden vastgesteld dat appellant op 8 september 1995 arbeidsongeschikt was. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 9 juli 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hieraan heeft het Uwv een verzekeringsgeneeskundig rapport van 8 juli 2014 ten grondslag gelegd.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en beslissingen genomen over griffierecht en proceskosten. Voor zover in hoger beroep nog van belang heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen aanleiding is het door de verzekeringsarts bezwaar en beroep verrichte onderzoek onzorgvuldig te achten. Zij heeft in de beschikbare gegevens onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor de aanname dat appellant op zijn 17e verjaardag en 52 weken nadien (periode in geding) arbeidsongeschikt is geweest. Er zijn geen medische gegevens die zien op appellants gezondheidstoestand tijdens de periode in geding. Het Uwv heeft terecht waarde gehecht aan de omstandigheid dat appellant een relevant arbeidsverleden heeft. Appellant heeft tussen 2001 en 2012 op grond van een arbeidsovereenkomst gewerkt bij de Stichting Sportbeheer. Niet is gebleken dat zijn verstandelijke beperking hem gedurende de periode in geding heeft belemmerd in arbeidsparticipatie. Dat hij zijn schoolopleiding niet met een diploma heeft afgesloten en tussen 1999 en 2001 kortdurende banen heeft gehad, rechtvaardigt evenmin de conclusie dat appellant gedurende de periode in geding arbeidsongeschikt is geweest.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant staande gehouden hij op zijn 17e verjaardag en 52 weken nadien arbeidsongeschikt is geweest. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij vanaf zijn geboorte een verstandelijke beperking heeft. Zijn gezondheidssituatie was in 1994/1995 net zo slecht als in de periode waarover wel gegevens zijn, te weten vanaf eind 2007.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op de datum van ontvangst van de aanvraag, 14 januari 2014, en de geboortedatum van appellant, is sprake van een laattijdige aanvraag, die dient te worden beoordeeld aan de hand van het bepaalde in de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Zie de uitspraak van 8 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1111.

4.2.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de AAW, zoals deze bepaling destijds luidde, is arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

4.3.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AAW heeft recht op toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering de verzekerde, die op de dag, waarop hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is, zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest, indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt is.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:150) ligt de bewijslast bij een laattijdige aanvraag bij de aanvrager, omdat het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen.

4.5.

Terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen concrete aanknopingspunten zijn om die artsen niet te volgen in hun conclusie dat op basis van de voorliggende gegevens niet op verantwoorde wijze kan worden vastgesteld dat appellant op zijn 17e verjaardag en 52 weken nadien arbeidsongeschikt is geweest. De overwegingen van de rechtbank die tot dat oordeel hebben geleid, worden onderschreven. Appellant heeft ter zitting ook bevestigd dat er geen medische informatie beschikbaar is over de gezondheidstoestand en het functioneren van appellant op 17/18-jarige leeftijd.

5. Uit de overwegingen onder 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd, voor zover aangevochten, zij het met verbetering van de gronden. Omdat het hoger beroep niet slaagt, is veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten van appellant bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2016.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) J.W.L. van der Loo

TM