Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:2040

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-06-2016
Datum publicatie
03-06-2016
Zaaknummer
14/6576 WUBO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor een toeslag ter verbetering van haar levensomstandigheden, een periodieke uitkering en vergoeding van de kosten van huishoudelijke hulp en sociaal vervoer en een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2016-0395
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/6576 WUBO

Datum uitspraak: 2 juni 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.C.M. van Berkel, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 4 november 2014, kenmerk BZ01734239 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 april 2016. Namens appellante is

mr. Van Berkel verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door

A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren in 1930, heeft in juni 2013 een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor een toeslag ter verbetering van haar levensomstandigheden, een periodieke uitkering en vergoeding van de kosten van huishoudelijke hulp en sociaal vervoer en een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer. Appellante heeft die aanvraag gebaseerd op haar gezondheidsklachten die naar haar mening het gevolg zijn van het meemaken van beschietingen in en bombardementen op Venlo in 1944. De vader van appellante is bij een bombardement op 28 oktober 1944 om het leven gekomen. Appellante heeft haar vader nadien geïdentificeerd. Verder heeft zij als gebeurtenissen genoemd de evacuatie uit Venlo in januari 1945 en het meemaken van de beschietingen in Holwierde in april 1945.

1.2.

Bij besluit van 4 maart 2014, na bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Verweerder heeft aanvaard dat appellante direct betrokken was bij de verplichte evacuatie uit Venlo in 1945 en bij de beschietingen in Holwierde in 1945. De psychische klachten, de buiktumor, hoofdpijn, evenwichtsstoornissen, rugklachten en maagklachten staan echter niet in verband met het door appellante meegemaakte oorlogsgeweld, maar zijn door andere oorzaken ontstaan. Daarom is volgens verweerder geen sprake van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld.

2.1.

Appellante stelt zich in beroep op het standpunt dat verweerder ten onrechte geen directe betrokkenheid heeft aangenomen bij het bombardement op Venlo op 28 oktober 1944. In dit verband voert zij aan dat het feit dat zij in Venlo verbleef, waar sprake was van een frontsituatie, onvoldoende in ogenschouw is genomen. Zij wijst erop dat verweerder in het geval van mevrouw [A] op basis van historische gegevens over de beschietingen in Venlo heeft aanvaard dat zij burger-oorlogsslachtoffer is. Verder voert appellante aan dat de confrontatie met haar vader (en anderen) die als gevolg van het bombardement op Venlo van 28 oktober 1944, ten onrechte niet onder de werking van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a en d van de Wubo is gebracht. Zij is op jeugdige leeftijd binnen 24 uur geconfronteerd met de gevolgen van het bombardement.

2.2.

Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wubo, wordt, voor zover hier van belang, onder burger-oorlogsslachtoffer verstaan degene die tijdens de oorlogsjaren 1940-1945 als burger lichamelijk of psychisch letsel heeft opgelopen ten gevolge van met de krijgsverrichtingen direct verbonden handelingen of omstandigheden.

3.2.

In een aantal stukken is vermeld dat appellante in een schuilkelder verbleef ten tijde van het bombardement van 28 oktober 1944. Uit het sociaal rapport en het dossier van de broer en zus van appellante blijkt dat de gezinsleden in het algemeen in de schuilkelder verbleven tijdens bombardementen. Of dit ook het geval was ten tijde van het bombardement van

28 oktober 1944 is op grond van die stukken niet duidelijk, maar wel aannemelijk. In elk geval is van directe betrokkenheid bij dit bombardement niet gebleken. De vader van appellante is omgekomen in de Houtstraat, op ruime afstand van de woning van het gezin in de Schutroestraat.

3.3.

Evenmin is komen vast te staan dat appellant direct betrokken is geweest bij beschietingen in Venlo. Appellante heeft in het sociaal rapport de beschieting die door haar broer is genoemd niet zelf vermeld. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel treft in dit kader evenmin doel, nu mevrouw [A] voor het Rode Kruis heeft gewerkt en hulp aan bombardementslachtoffers heeft verleend. In haar geval is op basis van historische gegevens directe betrokkenheid bij beschietingen aannemelijk geacht. Weliswaar was in Venlo sprake van een frontsituatie, maar de situatie van appellante was een geheel andere dan die van deze betrokkene.

3.4.

Het betoog van appellante over de identificatie van haar vader slaagt evenmin. Confrontatie met het dode lichaam van een ouder, kort na het omkomen door een bombardement, kan op zich worden aangemerkt als confrontatie met de gevolgen van doodslag of executie als bedoeld in artikel 2, aanhef en eerste lid onder d van de Wubo. In dit geval is echter van de aanwezigheid van appellante bij deze identificatie geen objectieve bevestiging is verkregen. Uitsluitend de verklaring van appellante zelf, hoe geloofwaardig ook, is hiervoor onvoldoende.

3.5.

Het standpunt van verweerder dat het aanvaarde oorlogsgeweld bij appellante niet heeft geleid tot blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo is gebaseerd op het door de geneeskundig adviseur R.J. Roelofs, arts, uitgebrachte advies. Dit advies is opgemaakt na een persoonlijk onderhoud met appellante. Bij zijn advisering heeft hij ook de van de huisarts verkregen informatie betrokken. Roelofs concludeert dat appellante lijdt aan een milde angststoornis NAO (met fobische kenmerken en met gegeneraliseerde kenmerken) die niet als causaal is te aanvaarden. Als de klachten uit de oorlog voortkomen, zijn het niet zozeer de evacuatie en/of beschietingen die traumatisch zijn geweest, als wel de voortdurende dreiging van de bombardementen, het omkomen van vader, het overlijden van moeder kort na de oorlog en de daaropvolgende tijd in het weeshuis. Deze factoren spelen een overwegende oorzakelijke rol. Daarnaast zijn de beperkingen vanwege de psychische klachten ook niet zodanig dat er sprake is van invaliditeit in de zin van de Wubo. Verder zijn de somatische klachten niet het gevolg van de oorlogservaringen.

3.6.

Verweerder heeft het bezwaar van appellante voor advies voorgelegd aan geneeskundig adviseur A.J. Maas. Deze arts ziet geen reden om van het primair ingenomen standpunt terug te komen. Maas concludeert dat Roelofs de slaapproblemen van appellante gedetailleerd heeft geïnventariseerd en dat deze overeenkomen met wat daarover in het sociaal rapport vermeld staat. Bovendien zijn deze klachten van de (milde) angststoornis NAO als niet-causaal beoordeeld. Er is daarom geen sprake van blijvende invaliditeit door het oorlogsgeweld.

3.7.

De Raad acht het bestreden besluit op grond van de adviezen van deze geneeskundig adviseurs deugdelijk voorbereid en overtuigend gemotiveerd. In de beschikbare gegevens zijn geen aanknopingspunten gevonden om te twijfelen aan het standpunt dat verweerder op grond van deze adviezen heeft ingenomen. Ook de huisarts van appellante, P.M.M. van Limpt, kan blijkens zijn in beroep overgelegde verklaring van 29 april 2014 geen directe link terugvinden met wat er in de oorlog is gebeurd. Aan de essentiële voorwaarde dat het aanvaarde oorlogsgeweld van betekenende invloed is geweest op het ontstaan van de bij appellante aanwezige psychische klachten wordt niet voldaan.

3.8.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte standhoudt. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van R.G. van den Berg als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2016.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

De griffier is buiten staat te ondertekenen

HD