Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1988

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-05-2016
Datum publicatie
02-06-2016
Zaaknummer
15-6450 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Weigering scootmobiel. Afwijzing verzoek voorlopige voorziening. Kortsluiting. Geen medische noodzaak. Gezien de verklaringen van de behandelend artsen komt verzoekster in aanmerking voor gebruik van de regiotaxi voor haar vervoer naar en van de revalidatielocatie Ciran voor een periode van twee maal 8 weken. De kosten daarvan komen voor rekening van het college, met dien verstande dat het college de kosten van het openbaar vervoer bij verzoekster in rekening brengt. Deze bedragen € 5,62 voor een retour. Indien blijkt dat verzoekster deze nota’s niet kan betalen, omdat haar financiële middelen ontoereikend zijn, zullen partijen daarvoor in onderling overleg een regeling treffen. De Raad voorziet zelf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak met toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 januari 2015, 14/5475 (aangevallen uitspraak) en op het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb

Partijen:

[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)

het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. drs. L. Roumen, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Namens het college is een verweerschrift ingediend en zijn nadere stukken ingezonden.

Namens verzoekster heeft mr. drs. Roumen een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 oktober 2015. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Roumen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H. Wester en T.M. de Waard.

Nadat het onderzoek ter zitting is geschorst hebben partijen in overleg getracht afspraken te maken. Van de uitkomsten daarvan is aan de voorzieningenrechter schriftelijk verslag gedaan.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 6 april 2016. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Roumen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Wester en

T.M. de Waard.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Verzoekster, [in] 1971, heeft na een val van de trap in 2012 mobiliteitsbeperkingen ontwikkeld waarvoor zij zich onder medisch specialistische behandeling heeft gesteld.

1.2.

Verzoekster heeft op 6 augustus 2013 een vervoersvoorziening in de vorm van een scootmobiel aangevraagd op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

1.3.

Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 25 oktober 2013 afgewezen. Het college heeft het bezwaar tegen dat besluit bij beslissing op bezwaar van 23 mei 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

1.4.

Het bestreden besluit berust op het standpunt dat er geen noodzaak is voor verstrekking van een scootmobiel, omdat verzoekster voor de korte afstanden gebruik kan maken van de fiets, al dan niet met trapondersteuning, en voor de wat langere afstanden van het openbaar vervoer. Het college baseert dit standpunt op een advies van de medisch adviseur

M. Diepeveen, verbonden aan SCIO, van 4 oktober 2013. Deze heeft vastgesteld dat bij verzoekster sprake is van een – deels moeilijk objectiveerbare – aandoening van het botspierweefsel en bindweefsel in de beengewrichten. Hierdoor zijn er beperkingen in de mobiliteit die deels geobjectiveerd kunnen worden. Verzoekster wordt in staat geacht

30 minuten achter elkaar te kunnen lopen zonder gebruik van loophulpmiddelen, om de fiets te gebruiken, eventueel met trapondersteuning, en om gebruik te maken van het openbaar vervoer. Omdat meest waarschijnlijk sprake is van een moeilijk objectiveerbare aandoening, is het voor verzoekster mogelijk een revalidatietraject te volgen ter afname van de

beperkingen. In het huidige stadium een individuele vervoersvoorziening toekennen kan een sterk antirevaliderend effect hebben.

2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de vraag of de beperkingen van verzoekster voldoende medische grondslag bieden voor toekenning van een scootmobiel onbeantwoord kan blijven, omdat de in de gemeente [woonplaats] aanwezige vervoersvoorzieningen haar vervoersbehoefte voldoende compenseren. Zij heeft in dit verband gewezen op de mogelijkheid om gebruik te maken van de zogeheten Bijbus. Dat daarmee niet een vergeten boodschap kan worden gedaan is onvoldoende om toekenning van een scootmobiel te rechtvaardigen nu daarvoor een online bestelling kan worden gedaan, of gebruik kan worden gemaakt van een boodschappenservice. Verzoekster zou ook een bromfiets kunnen aanschaffen en daarvoor zo nodig een beroep kunnen doen op de bijzondere bijstand.

3. Verzoekster heeft in hoger beroep aangevoerd dat het onderzoek van SCIO niet zorgvuldig is geweest omdat geen lichamelijk onderzoek is verricht. Dat zij 30 minuten achtereen zou kunnen lopen is niet met enig medisch document onderbouwd. Een scootmobiel geeft minder irritaties aan de knie dan een (elektrische) fiets. Dr. F.J. van der Giesen en dr. N. Riyazi, internist/reumatoloog, hebben op 13 augustus 2015 verklaard dat haar pijnklachten en vermoeidheid verklaard worden door de diagnose fibromyalgie. Voor revalidatie zal zij een intensief programma moeten volgen. De locatie daarvan is slecht bereikbaar. Het openbaar vervoer is te belastend voor haar en de Bijbus rijdt er niet naar toe. De Bijbus is ongeschikt om boodschappen mee te doen en rijdt slechts tot 5 kilometer buiten de gemeentegrenzen. Ook is de Bijbus ongeschikt om sociale contacten te kunnen onderhouden. De boodschappenservice is te duur voor verzoekster zodat zij daar geen gebruik van kan maken. Voor bijzondere bijstand komt zij niet in aanmerking omdat haar inkomen net boven de daarvoor geldende inkomensgrens ligt. Verzoekster heeft in vervolg op de zitting van

19 oktober 2015 een verklaring van 22 oktober 2015 van Van der Giesen en

dr. A.A. Schouffoer, reumatoloog, beiden verbonden aan het HagaZiekenhuis in Den Haag, ingezonden dat het voor haar op basis van haar klachten op medische/energetische gronden niet mogelijk is met het openbaar te reizen naar de revalidatielocatie Ciran in Den Haag. Het gebruik van de regiotaxi tussen haar huisadres en deze locatie is passend bij haar energetische belastbaarheid, werkt niet antirevaliderend en is daarom niet gecontra-indiceerd.

4. Het college heeft in hoger beroep – naar aanleiding van en in vervolg op de zitting van

19 oktober 2015 – geconcludeerd dat verzoekster gezien de door haar ingezonden verklaring van het HagaZiekenhuis in aanmerking moet komen voor een vervoersvoorziening naar de revalidatielocatie. Het college is bereid om daarvoor het gebruik van de regiotaxi heen en terug toe te kennen voor de duur van de revalidatie, met dien verstande dat het college aan appellante € 5,62 per retour in rekening zal brengen. Dit bedrag is gelijk aan de kosten van het openbaar vervoer voor dit traject. De kosten van het openbaar vervoer wordt men geacht ook te kunnen opbrengen bij een inkomen op het sociaal minimum. Het college heeft zijn in het bestreden besluit neergelegde standpunt voor het overige gehandhaafd.

5. Verzoekster heeft als voorlopige voorziening schorsing van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit en toekenning van een scootmobiel gevorderd.

6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

6.1.

Op grond van de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

6.2.

Op grond van artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

6.3.

In het geval van verzoekster kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak. De feiten en omstandigheden zijn in de stukken uitgebreid aan de orde gekomen en ter zitting nogmaals besproken en toegelicht. Overigens zijn er ook geen beletselen om uitspraak te doen in de hoofdzaak, zodat aan de in 6.2 genoemde artikelen toepassing zal worden gegeven en in de hoofdzaak uitspraak wordt gedaan.

7.1.

Uit vaste rechtspraak van de Raad vloeit voort dat een scootmobiel een vervoersvoorziening is voor personen met een maximale loopafstand – zonder loophulpmiddelen – van minder dan grosso modo 100 meter. Deze voorziening is bedoeld voor personen met een uiterst geringe mobiliteit die geen gebruik kunnen maken van een fiets en die voor vrijwel iedere verplaatsing buitenshuis op een vervoermiddel voor de korte afstand zijn aangewezen (CRvB 23 juli 2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AX8611). Omdat het collectief vervoer voor verplaatsingen over deze afstand niet geschikt is, zal voor die verplaatsingen een aanvullende voorziening moeten worden aangeboden (CRvB 2 juli 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BD6255; CRvB 10 december 2003, JSV 2004,52, CRvB 28 april 1999, USZ 1999/199 en JSV 1999, 240). Deze uitspraken zijn gedaan onder de Wet voorzieningen gehandicapten, maar onder de Wmo is dit niet anders.

7.2.

Uitgaande van het onder 7.1 weergegeven beoordelingskader komt verzoekster niet in aanmerking voor een toekenning van een scootmobiel (in bruikleen). Het medisch advies van de SCIO-arts Diepeveen van 4 oktober 2013 houdt in dat verzoekster in staat moet worden geacht om 30 minuten achter elkaar te lopen en verder dat zij gebruik kan maken van een fiets, eventueel met trapondersteuning. Een nader door het college ingewonnen advies van de SCIO-arts P.F.J. Donderwinkel van 7 april 2015 meldt dat bij verzoekster sprake is van een pijnsyndroom van het bewegingsapparaat, maar dat er geen objectieve beperkingen zijn die lopen en fietsen onmogelijk maken. Deze adviezen zijn zorgvuldig tot stand gekomen. In het eerste onderzoek is gericht lichamelijk onderzoek verricht en is verzoekster geobserveerd. Tevens is kennisgenomen van een brief van de orthopedisch chirurg dr. T.W. Pratt van

3 september 2013. Het tweede advies berust op dossieronderzoek en nader door verzoekster ingezonden medische stukken. De daarin getrokken conclusies over de mobiliteitsbeperkingen zijn voldoende onderbouwd. Nu geen van de medische stukken die verzoekster in geding heeft gebracht er melding van maakt dat verzoekster een maximale loopafstand heeft van minder dan grosso modo 100 meter is er geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de SCIO-adviezen op dit punt. Dit betekent dat aan verzoekster terecht toekenning van een scootmobiel is geweigerd.

7.3.

Uit de door verzoekster ingezonden verklaring van 22 oktober 2015 van

Van der Giessen en Schouffoer blijkt dat het voor verzoekster op basis van haar klachten op medische/energetische gronden niet mogelijk is met het openbaar te reizen naar de revalidatielocatie Ciran in Den Haag. Het gebruik van de regiotaxi tussen haar huisadres en deze locatie past wel bij haar energetische belastbaarheid, werkt niet antirevaliderend en is niet gecontra-indiceerd.

7.4.

Partijen zijn het er over eens dat verzoekster in aanmerking komt voor gebruik van de regiotaxi voor haar vervoer naar en van de revalidatielocatie Ciran voor een periode van twee maal 8 weken. De kosten daarvan komen voor rekening van het college, met dien verstande dat het college de kosten van het openbaar vervoer bij verzoekster in rekening brengt. Deze bedragen € 5,62 voor een retour. Indien blijkt dat verzoekster deze nota’s niet kan betalen, omdat haar financiële middelen ontoereikend zijn, zullen partijen daarvoor in onderling overleg een regeling treffen.

7.5.

Het vorenstaande betekent dat aan verzoekster een voorziening toekomt als onder 7.4 weergegeven. Het betekent tevens dat het beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak en het bestreden besluit komen voor vernietiging in aanmerking voor zover niet onderkend is dat verzoekster in aanmerking komt voor een vervoersvoorziening voor de behandeling bij Ciran. De Raad zal zelf in de zaak voorzien als in 7.4 weergegeven. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening zal worden afgewezen.

8. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden voor rechtsbijstand begroot op € 992,- in beroep en € 1.736,- in hoger beroep en voor reiskosten op € 3,66 in beroep en € 51,76 in hoger beroep.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin aan verzoekster geen vervoersvoorziening is toegekend voor het vervoer naar Ciran;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarin aan verzoekster geen vervoersvoorziening is toegekend voor het vervoer naar Ciran;

- beslist dat verzoekster in aanmerking komt voor een voorziening als onder 7.4 bedoeld en bepaalt dat zijn beslissing in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van in totaal € 2.783,42;

- bepaalt dat het college het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal

€ 291,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male, in tegenwoordigheid van J.W.L. van der Loo als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2016.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) J.W.L. van der Loo

RB