Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1983

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-05-2016
Datum publicatie
07-06-2016
Zaaknummer
15-5645 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag buiten behandeling gelaten. Appellant wilde bankafschriften niet inleveren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/5645 WWB

Datum uitspraak: 31 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2015, 15/849 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.J. van Gijssel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 14/6951 WWB en 15/4192 WWB, plaatsgevonden op 19 april 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Gijssel. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Ahmed. In de zaken 14/6951 WWB en 15/4192 WWB is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving tot 1 augustus 2014 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Na een eerdere opschorting van het recht op bijstand per die datum, heeft het college bij besluit van 5 september 2014 de bijstand van appellant met ingang van 1 augustus 2014 ingetrokken. Bij besluit van 17 oktober 2014 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 5 september 2014 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 4 mei 2015 het beroep tegen het besluit van 17 oktober 2014 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van heden, nr. 15/4192 WWB, heeft de Raad de uitspraak van 4 mei 2015 bevestigd.

1.2.

Appellant heeft op 8 september 2014 opnieuw bijstand aangevraagd op grond van de WWB. Bij brief van 12 september 2014 heeft het college appellant verzocht vóór

26 september 2014 een aantal nader genoemde gegevens te verstrekken, waaronder bankafschriften van al zijn betaal- en spaarrekeningen van de laatste zes maanden met daarop het actuele saldo. Appellant heeft op 25 september 2014 een aantal van de gevraagde bankgegevens overgelegd. Van de ING-bankrekening die eindigt op [nummer] had appellant in het kader van de in 1.1 genoemde opschortings- en intrekkingsprocedure al een transactieoverzicht overgelegd over de periode van 26 maart 2014 tot en met 23 juni 2014.

1.3.

Bij brief van 28 oktober 2014 heeft het college appellant meegedeeld dat hem een voorschot wordt betaald van € 760,- in de vorm van een lening.

1.4.

Bij brief van 14 november 2014 heeft het college verzocht om vóór 28 november 2014 bankafschriften met tenaamstelling/adressering en saldo in te leveren van onder meer bankrekening [nummer] over de periode van 1 maart 2014 tot en met 31 augustus 2014. Het college heeft appellant erop gewezen dat als hij niet op tijd reageert of niet alle gevraagde gegevens inlevert, de aanvraag niet kan worden beoordeeld en daarom niet in behandeling zal worden genomen.

1.5.

Bij besluit van 28 november 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 december 2014 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in behandeling genomen en het voorschot van € 760,- van appellant teruggevorderd. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant binnen de daartoe gestelde termijn niet alle gegevens heeft verstrekt die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn. Omdat de aanvraag buiten behandeling is gesteld, heeft het college het verstrekte voorschot teruggevorderd op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder d, van de WWB.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat appellant niet alle informatie heeft verstrekt die nodig was om vast te stellen of hij recht op bijstand had.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb bepaalt dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Van een onvolledige of ongenoegzame aanvraag is onder andere sprake indien onvoldoende gegevens of bescheiden worden verstrekt om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, gaat het daarbij om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant niet alle gevraagde bankgegevens heeft verstrekt, aangezien vaststaat dat hij in ieder geval niet de gevraagde bankafschriften van bankrekening [nummer] over de periode van 24 juni 2014 tot en met 31 augustus 2014 heeft overgelegd.

4.3.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, strekt ertoe dat de ontbrekende bankgegevens niet nodig waren om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 14 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX5218) is inzage in bankafschriften met betrekking tot de aan de bijstandsaanvraag voorafgaande periode in het algemeen noodzakelijk om het recht op bijstand te kunnen beoordelen. Er bestaat geen aanleiding om daarover in dit geval anders te oordelen. Gelet hierop kon het college van appellant verlangen om in ieder geval de bankafschriften van bankrekening [nummer] over de periode van 24 juni tot en met 31 augustus 2014 over te leggen. Volgens appellant is het niet aannemelijk dat hij in die periode nog grote bedragen op deze bankrekening heeft ontvangen, maar juist met het oog om dat te kunnen controleren, diende het college te beschikken over bankafschriften over genoemde periode.

4.4.

Voorts is niet in geschil dat appellant redelijkerwijs de beschikking kon krijgen over de ontbrekende bankgegevens. Uit de beschikbare gegevens, waarvan in het bijzonder een overzicht van notities van contacten tussen appellant en medewerkers van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam (DWI) over de periode van 20 tot en met 28 november 2014, blijkt dat appellant de gevraagde bankgegevens niet wilde verstrekken, omdat hij meende alle benodigde bankgegevens al te hebben ingeleverd. Zo heeft appellant op 20 november 2014 kenbaar gemaakt niet bereid te zijn de gevraagde bankafschriften in te leveren en op

25 november 2014 dat hij niet iedere keer weer nieuwe stukken wil inleveren. Het is echter niet aan appellant om te bepalen welke stukken hij moet inleveren, maar aan het college. Dat appellant de ontbrekende en voor de beoordeling van het recht op bijstand noodzakelijke bankgegevens om hem moverende redenen niet wenste in te leveren, is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico moet worden gelaten. Het betoog van appellant ter zitting van de Raad dat een medewerker van de DWI met appellant de afspraak had gemaakt dat hij een verkorte aanvraag moest indienen en dat zijn bijstandsuitkering dan zou worden hervat, welke afspraak het college heeft betwist, vindt geen enkele steun in de stukken en slaagt reeds om die reden niet.

4.5.

Tegen de terugvordering van het verstrekte voorschot heeft appellant geen zelfstandige gronden aangevoerd.

4.6.

Uit 4.2 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.F. Claessens als voorzitter en F. Hoogendijk en H.D. Stout als leden, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 mei 2016.

(getekend) W.F. Claessens

(getekend) L.H.J. van Haarlem

HD