Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1964

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-05-2016
Datum publicatie
30-05-2016
Zaaknummer
14/5462 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het niet op de weg van de Svb ligt om de geldigheid van het beslag te beoordelen. Dat oordeel is voorbehouden aan de burgerlijke rechter en de bestuursrechter komt hieraan niet toe. Bij de beoordeling van een betalingsbeslissing als in dit geding aan de orde, moet ingevolge vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 8 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3672, en 31 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1632) het gelegde beslag als een gegeven worden aanvaard en dient de bestuursrechter zijn toetsing te beperken tot het beantwoorden van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van deze betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag. Dit is hier het geval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/5462 AOW

Datum uitspraak: 27 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

9 september 2014, 14/1991 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats], België (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2016. Appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Loos.

OVERWEGINGEN

1.1.

De Svb heeft aan verzoeker een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Op 22 mei 2013 heeft [A]

incasso-gerechtsdeurwaarders aan de Svb een beslagexploit betekend waarin is aangegeven dat executoriaal beslag wordt gelegd uit kracht van een vonnis van de rechtbank Breda van

3 oktober 2012 ten laste van appellant. Daarbij is vermeld dat de beslagvrije voet € 0,- bedraagt.

1.2.

Bij besluit van 5 februari 2014 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat, gelet op het beslag door [A] incasso-gerechtsdeurwaarders, appellant vanaf mei 2014 een bedrag van € 23,76 netto aan ouderdomspensioen krijgt uitbetaald.

1.3.

Bij besluit van 19 maart 2014 (bestreden besluit) heeft de Svb het door appellant tegen het besluit van 5 februari 2014 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard. Zij heeft daarbij overwogen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad de Svb een beslag op het ouderdomspensioen van appellant dient uit te voeren volgens de daarvoor geldende regels en dat het niet op de weg van de Svb ligt om de geldigheid van het beslag te beoordelen. Appellant is meegegeven dat met betrekking tot de hoogte van de beslagvrije voet contact dient te worden opgenomen met de deurwaarder of een procedure dient te worden opgestart bij de civiele rechter.

3. In hoger beroep heeft appellant verzocht om het bedrag waarvoor beslag is gelegd te verlagen, teneinde in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien.

4.1.

De Raad oordeelt dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het niet op de weg van de Svb ligt om de geldigheid van het beslag te beoordelen. Dat oordeel is voorbehouden aan de burgerlijke rechter en de bestuursrechter komt hieraan niet toe. Bij de beoordeling van een betalingsbeslissing als in dit geding aan de orde, moet ingevolge vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 8 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3672, en 31 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1632) het gelegde beslag als een gegeven worden aanvaard en dient de bestuursrechter zijn toetsing te beperken tot het beantwoorden van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van deze betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag. Dit is hier het geval. Voorts heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat verzoeker met betrekking tot de hoogte van de beslagvrije voet zich met de deurwaarder zal kunnen verstaan of zich tot de civiele rechter kunnen wenden. In dit verband wordt opgemerkt dat voor personen die niet in Nederland wonen, zoals appellant, op grond van artikel 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in beginsel geen beslagvrije voet geldt. Wel verschaft voornoemd artikel de mogelijkheid op eigen verzoek een beslagvrije voet te laten vaststellen. Daartoe dient appellant zich te wenden tot de kantonrechter en aan te tonen dat hij over onvoldoende middelen van bestaan beschikt. Ter zitting heeft appellant te kennen gegeven een dergelijk verzoek (nog) niet te hebben ingediend. Uit het voorgaande volgt dat de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit terecht ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak dient bevestigd te worden.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2016.

(getekend) T.L. de Vries

(getekend) D. van Wijk

UM