Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1958

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2016
Datum publicatie
30-05-2016
Zaaknummer
13/3375 WIA-T
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenbeschikking
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Weigering WIA-uitkering toe te kennen. Minder dan 35% arbeidsongeschikt. Het hoger beroep slaagt. in De FML zijn de beperkingen van appellante niet juist vastgesteld. Het besluit van 14 september 2012 kan niet in stand blijven, voor zover daarbij is vastgesteld dat per einde wachttijd de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 29 maart 2012 minder dan 35% bedraagt. Nu het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 29 maart 2012 opnieuw dient vast te stellen overeenkomstig de bevindingen van de deskundige, kan de Raad het onderhavige geschil nog niet definitief beslechten. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen de gebreken in het besluit van 14 september 2012 te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0585
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3375 WIA-T

Datum uitspraak: 25 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank

Zeeland-West-Brabant van 2 mei 2013, 12/5897 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B.A.R. Brouwers hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.P.F. Oosterbos.

Het onderzoek is heropend.

De Raad heeft neuroloog A.H.C. Geerlings als deskundige benoemd voor het instellen van een onderzoek.

De deskundige heeft op 10 augustus 2015 van zijn bevindingen rapport uitgebracht aan de Raad.

Partijen hebben schriftelijk op het rapport gereageerd en het Uwv heeft een nader standpunt ingediend.

Desgevraagd heeft de deskundige op 29 december 2015 commentaar gegeven op de reactie van het Uwv op zijn rapport.

Partijen hebben schriftelijk gereageerd op het commentaar van de deskundige.

Een nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft in 2009 hersenletsel opgelopen en is uitgevallen voor haar werk als administratief medewerkster sales services bij [naam werkgever] Het hersenletsel is onderzocht door een neuroloog. Deze kon destijds geen afwijkingen vinden. Na een periode haar werkzaamheden te hebben hervat is appellante op 1 april 2010 ziek gemeld met concentratieproblemen, gezichtsveldproblemen en hoofdpijn. Later zijn ook klachten ontstaan aan haar linkerbeen en is zij gedotterd voor haar hartkwaal.

1.2.

Bij besluit van 10 april 2012 heeft het Uwv appellante een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen ontzegd, omdat zij met ingang van 29 maart 2012 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts van 21 maart 2012, een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 maart 2012 en een rapport van een arbeidsdeskundige van 5 april 2012.

1.3.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 april 2012 heeft het Uwv bij besluit van 14 september 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit heeft het Uwv gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 24 augustus 2012 (waarin een aangepaste FML is opgenomen) en een nieuw arbeidskundig onderzoek naar gangbare arbeid van 13 september 2012 door een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat haar beperkingen door de verzekeringsartsen zijn onderschat en als gevolg daarvan onjuist zijn weergegeven in de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van het door haar overgelegde rapport van het Tilburgs Ambulatorium Neuropsychologie (TAN) van 19 juli 2012 van een neuropsychologisch onderzoek (npo), volgens appellante onvoldoende beperkingen in de FML opgenomen voor haar cognitieve klachten.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De door de Raad benoemde deskundige heeft de medische gegevens beoordeeld, aanvullende medische informatie opgevraagd en een npo laten verrichten. Er is volgens de deskundige sprake van aantoonbare cognitieve afwijkingen die tussen 2012 en 2015 zijn toegenomen. Mogelijk is sprake van een cerebrale aandoening die niet in relatie staat met één van de ongevallen. Totdat hiernaar nader onderzoek is verricht kan hier geen nadere uitspraak over gedaan worden. De deskundige acht op de datum in geding, 29 maart 2012, cognitieve stoornissen aanwezig overeenkomstig de beschrijving daarvan in juli 2012 door het TAN. Uit de afwijking vloeien volgens de deskundige beperkingen voort. De deskundige kan zich niet verenigen met de FML van 24 augustus 2012.

4.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op grond van het rapport van de deskundige de FML op 14 september 2015 aangepast. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft nieuwe functies geduid en de geschiktheid van deze functies toegelicht. Op grond van dit onderzoek heeft het Uwv per einde wachttijd de mate van arbeidsongeschiktheid onveranderd op minder dan 35% vastgesteld.

4.3.

De deskundige heeft commentaar gegeven op de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op zijn rapport. Op twee punten is de deskundige het eens met de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep en op vijf punten niet.

4.4.

In reactie op het commentaar van de deskundige heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 7 januari 2016 zijn eerder opgeworpen stellingen gehandhaafd en toegelicht.

4.5.

Appellante heeft haar standpunt gehandhaafd dat zij het eens is met de bevindingen van de deskundige, met de aanvulling dat ook licht tot een verhoogde afleidbaarheid leidt.

4.6.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde, deskundige kan volgen indien de door deze deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Vormen de daartegen aangevoerde bezwaren een gemotiveerde betwisting, dan moet de rechter zodanig motiveren dat daarbij inzicht wordt gegeven in de aan het oordeel van de rechter ten grondslag liggende gedachtegang, waardoor deze voor anderen controleerbaar en aanvaardbaar wordt.

4.7.

Het rapport van de deskundige, bezien tezamen met het commentaar op de reacties op dit rapport, geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek, is inzichtelijk en consistent gemotiveerd en is overtuigend. De van de zijde van het Uwv tegen dit rapport aangevoerde bedenkingen vormen geen aanleiding de conclusies van de deskundige niet te volgen. Daarbij is ten eerste van belang dat de deskundige uitgebreid heeft gereageerd op de bedenkingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en zijn conclusies daarbij nader heeft toegelicht. De deskundige heeft gemotiveerd aangegeven waarom de aanvullende beperkingen noodzakelijk zijn.

4.8.

De bevindingen van de deskundige zijn voor het merendeel niet overgenomen door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De deskundige heeft deze punten in het rapport van

29 december 2015 toegelicht. Onder andere is de deskundige het niet eens met de wijze waarop de verzekeringsarts bezwaar en beroep de beperking voor vasthouden en verdelen van de aandacht in de FML heeft vertaald en de conclusie dat deze beperking niet aan de orde is als de taak enkelvoudig is en voldoende tegemoet wordt gekomen door te stellen dat appellante bijkomend aangewezen is op vaste bekende werkwijzen, routine-afhankelijk (item 1.9.2). Volgens de deskundige spreekt de neuropsycholoog van forse tekortkomingen in de aandacht en concentratie. Weliswaar zijn de bevindingen bij enkelvoudige taken wel normaal, maar de taken in een testonderzoek kunnen volgens de deskundige niet zonder meer worden vertaald naar taken in een arbeidssituatie. Daarnaast acht de deskundige een urenbeperking noodzakelijk. De deskundige heeft toegelicht dat drie uur werken voor appellante evenveel betekent als acht uur voor een gezonde leeftijdsgenoot. Ook voor het doelmatig en zelfstandig handelen, het handelingstempo en het omgaan met emotionele problemen van anderen en het hanteren en omgaan van conflicten met collega’s heeft de deskundige toegelicht waarom de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende beperkingen in de FML heeft vastgesteld.

4.9.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.8 vloeit voort dat het hoger beroep slaagt en dat in de FML de beperkingen van appellante niet juist zijn vastgesteld. Het besluit van

14 september 2012 kan niet in stand blijven, voor zover daarbij is vastgesteld dat per einde wachttijd de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 29 maart 2012 minder dan 35% bedraagt. Nu het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 29 maart 2012 opnieuw dient vast te stellen overeenkomstig de bevindingen van de deskundige, kan de Raad het onderhavige geschil nog niet definitief beslechten. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv op te dragen de gebreken in het besluit van 14 september 2012 te herstellen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 20 februari 2012 te herstellen overeenkomstig hetgeen de Raad heeft overwogen.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van L.L. van den IJssel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2016.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) L.L. van den IJssel

MO