Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1948

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-05-2016
Datum publicatie
31-05-2016
Zaaknummer
14/7118 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beëindiging recht. Niet meewerken huisbezoek. Redelijke grond. Geen minder zwaar middel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/7118 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

5 december 2014, 14/2943 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Singh, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2016. Namens appellant is verschenen mr. Singh. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E. van Dijk en I.C. Bouquet.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving sinds 1 maart 2000 bijstand, ten tijde in geding ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. Vanaf 29 februari 2000 staat appellant ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (thans: basisregistratie personen) op het adres [adres A] te [woonplaats] (uitkeringsadres).

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de afdeling burgerzaken van de gemeente Haarlemmermeer dat appellant veel in het buitenland verbleef, zijn medewerkers van de afdeling Handhaving eind 2013 gestart met een onderzoek naar de feitelijke woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader is onder meer naar voren gekomen dat appellant

tweemaal zonder bericht niet is verschenen op een oproep voor een gesprek op het gemeentekantoor maar zich pas enkele dagen later meldde, dat bij een onaangekondigd huisbezoek tweemaal een ander persoon dan appellant in de woning is aangetroffen, dat buurtbewoners hebben verklaard dat niet appellant maar een jongen op het uitkeringsadres woont en dat blijkens bankafschriften met de pinpas van appellant transacties in Nederland hebben plaatsgevonden, terwijl hij zelf in het buitenland verbleef. Op 10 maart 2014 is appellant andermaal uitgenodigd voor een gesprek op het gemeentekantoor met twee medewerkers van de afdeling Handhaving. Uit het gespreksverslag komt onder meer naar voren dat appellant niet beschikte over een sleutel van de centrale deur van het flatgebouw, dat hij een aantal malen per week de nacht doorbrengt bij een vriendin in Apeldoorn en dat hij onzeker en wisselend verklaart over de indeling en aankleding van de woning op het uitkeringsadres. Omdat de eerder gerezen twijfel over het feitelijke woonadres van appellant tijdens het gesprek niet werd weggenomen, is na afloop daarvan door de medewerkers aan appellant kenbaar gemaakt dat zij direct aansluitend op het gesprek een huisbezoek wilden afleggen op het uitkeringsadres. Appellant heeft hier niet mee ingestemd, ook niet nadat hij was gewezen op de consequenties daarvan.

1.3.

Bij besluit van 10 maart 2014 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van dezelfde datum beëindigd. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant geweigerd heeft zijn medewerking te verlenen aan een huisbezoek direct aansluitend op het gesprek op het gemeentekantoor op 10 maart 2014, zodat het recht op bijstand niet langer is vast te stellen.

1.4.

Bij besluit van 24 juni 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 10 maart 2014 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder meer overwogen dat een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek aanwezig was, dat aan appellant terecht gevraagd is medewerking te verlenen aan een huisbezoek direct aansluitend op het gesprek op het gemeentekantoor, dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de juistheid van het op ambtseed opgemaakte gespreksverslag van 10 maart 2014, dat de gevolgen van het weigeren van het huisbezoek voor risico van appellant blijven en dat het college bevoegd was met toepassing van

artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellant in te trekken.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daartoe heeft hij, samengevat, aangevoerd dat geen gerede twijfel kon bestaan over het door hem opgegeven woonadres, dat geen zorgvuldige belangenafweging heeft plaatsgevonden, dat - nu geen andere inkomensbron aan de orde was - het college voor een minder vergaand middel als opschorting of blokkering van de bijstand had moeten kiezen en dat onvoldoende rekening is gehouden met de psychische problemen van appellant, zoals die onder meer kunnen blijken uit eerder opgemaakte medische en arbeidskundige rapportages.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Redelijke grond voor huisbezoek

4.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 11 april 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2436) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden - in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van bijstand - indien voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat. Van een redelijke grond voor een huisbezoek is, eveneens volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4064), sprake als voorafgaand aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en het bijstandverlenend orgaan deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren.

4.2.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat in dit geval een redelijke grond bestond voor het afleggen van een huisbezoek op het uitkeringsadres. Daarbij heeft de Raad allereerst acht geslagen op de voorafgaand aan het gesprek op 10 maart 2014 met de handhavingsmedewerkers op het gemeentekantoor reeds voorhanden zijnde onderzoeksgegevens. Daarnaast is van belang dat door het gesprek waarin appellant met die onderzoeksgegevens is geconfronteerd en de wijze waarop daar door hem op is gereageerd, verdergaande twijfel is ontstaan over de juistheid van het door hem opgegeven woonadres.

Huisbezoek in aansluiting op gesprek op het gemeentekantoor

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 23 december 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:4350) komt in het algemeen groot gewicht toe aan het belang van een bijstandverlenend orgaan om - zo nodig - onmiddellijk een huisbezoek af te leggen teneinde een door een betrokkene opgegeven woonsituatie te verifiëren. De reden daarvan is dat anders de mogelijkheid bestaat dat in die woonsituatie tussentijds een wijziging wordt aangebracht, waardoor dit controlemiddel sterk aan effectiviteit inboet. Pas als betrokkene daar een voldoende zwaarwegend belang tegenover stelt, en bij betwisting aannemelijk maakt, dient dit belang van het bijstandverlenend orgaan daarvoor te wijken. Als in een dergelijke situatie niet van het onverwijld afleggen van een huisbezoek wordt afgezien, kan de weigering om daaraan medewerking te verlenen niet aan betrokkene worden tegengeworpen.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat het college naar een minder ingrijpend middel had moeten omzien, bijvoorbeeld door - in afwachting van een nader onderzoek - eerst het recht op bijstand op te schorten of de bijstand te blokkeren. Appellant kan hierin niet worden gevolgd. Nog daargelaten dat het recht op bijstand al eerder was opgeschort met ingang van 13 februari 2014, ziet appellant er daarbij aan voorbij dat hij aldus in de gelegenheid zou worden gesteld de situatie op het uitkeringsadres alsnog zodanig aan te passen dat een serieus onderzoek daarna zinledig zou zijn. Overigens is in dit geval al een zekere fasering aangebracht, in die zin dat voorafgaand aan het huisbezoek eerst nog op 10 maart 2014 een gesprek op het gemeentekantoor heeft plaatsgevonden. Ten slotte heeft appellant geen concreet beletsel aangegeven dat in de weg zou kunnen staan aan een onverwijld af te leggen huisbezoek. Het college heeft het belang van het terstond verifiëren van het door appellant opgegeven woonadres daarom terecht zwaarder laten wegen dan de vaag gebleven redenen van appellant om daaraan geen medewerking te verlenen.

Psychische gesteldheid appellant

4.5.

Appellant heeft zich nog beroepen op zijn toenmalige psychische problemen. Deze beroepsgrond wordt aldus opgevat dat appellant beoogt te stellen dat hij ten tijde van het gesprek op 10 maart 2014, voorafgaand aan het voorgenomen huisbezoek, om psychische redenen buiten staat was juist te verklaren dan wel de consequenties van zijn verklaringen en de weigering om mee te werken aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek niet kon overzien. Deze stelling vindt evenwel geen steun in objectieve medische gegevens. De overgelegde verklaring van de huisarts dat appellant mogelijk lijdt aan chronische PTSS is in dat verband onvoldoende, evenals het feit dat appellant destijds kennelijk was vrijgesteld van arbeidsverplichtingen. Hetzelfde geldt voor de tijdens het gesprek op 10 maart 2014 door appellant gedane uitlatingen.

Conclusie

4.6.

Gelet op wat in 4.2, 4.4 en 4.5 is overwogen, heeft het college terecht de conclusie getrokken dat bij gebreke van de van appellant te vergen medewerking aan een aangewezen huisbezoek, direct in aansluiting op het gesprek op 10 maart 2014, het recht op bijstand van appellant met ingang van die datum niet langer was vast te stellen. Het college was dan ook bevoegd met onmiddellijke ingang de juridische werking aan het eerdere toekenningsbesluit te ontnemen en de bijstand te beëindigen. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van gronden omdat het hier geen intrekking maar beëindiging van de bijstand betreft, dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.C.R. Schut en

C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2016.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) B. Fotchind

HD