Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1947

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-05-2016
Datum publicatie
31-05-2016
Zaaknummer
14/5930 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Onherroepelijk vaststaande boete. Volle toets intrekking en terugvordering.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 18a
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/151
USZ 2016/232
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5930 WWB

Datum uitspraak: 24 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 16 september 2014, 14/5098 en 14/5099 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Ettalhaoui, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 april 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. I. Lagdas, advocaat, als waarnemer voor mr. Ettalhaoui. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.J. Telting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 1 oktober 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Op 25 maart 2014 heeft het Werkplein Nieuw West van de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente Amsterdam aan de DWI meegedeeld dat appellant mogelijk meer uren werkt bij [werkgever] dan hij opgeeft. Naar aanleiding van deze mededeling heeft de DWI een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de DWI onder meer bestands- en dossieronderzoek gedaan, waarnemingen verricht en gesproken met appellant. Uit een achttal waarnemingen in de periode van

7 tot en met 12 april 2014 is naar voren gekomen dat appellant bij vijf daarvan werkend is aangetroffen op data en tijdstippen die niet overeenkwamen met zijn verklaringen over de omvang van zijn werkzaamheden. Geconfronteerd met deze waarnemingen heeft appellant op 15 april 2014 onder meer verklaard dat hij 40 uur per maand werkt, dat hij ook in zijn vrije tijd voor de gezelligheid naar de zaak komt en dan wel eens even helpt, dat hij tussen

1. en 14 april 2014 alleen op de door hem opgegeven dagen heeft gewerkt, dat hij tussen

1. en 14 april 2014 niet voor de gezelligheid in de zaak is geweest en dat deze stand van zaken sedert een jaar ongewijzigd is. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 april 2014.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

30 april 2014 (besluit 1) de bijstand van appellant vanaf 15 april 2013 in te trekken en bij besluit van 9 mei 2014 (besluit 2) de over de periode van 15 april 2013 tot en met 30 april 2014 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 14.392,91 van hem terug te vorderen.

1.4.

Bij besluit van 21 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellant tegen besluit 1 en besluit 2 ongegrond verklaard. Het bestreden besluit berust op de overweging dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door de feitelijke omvang van zijn werkzaamheden te verzwijgen, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is niet gebleken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat hier ter beoordeling voorligt de periode van 15 april 2013 tot en met 30 april 2014.

4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Ter beoordeling staat of het college daarin geslaagd is met de in dit geding beschikbare gegevens over de gehele te beoordelen periode.

4.3.

Appellant heeft allereerst aangevoerd dat de rechtbank in haar uitspraak van 11 maart 2015, 14/6833, met betrekking tot de door het college naar aanleiding van hetzelfde feitencomplex opgelegde bestuurlijke boete heeft geoordeeld dat de periode van onderzoek te kort is en de gedane waarnemingen onvoldoende zijn om als grondslag voor de opgelegde boete te dienen. De redenering van de rechtbank in die uitspraak gaat volgens appellant ook op voor de hier voorliggende intrekking en terugvordering. Voor zover appellant met deze beroepsgrond beoogt te stellen dat het in voormelde uitspraak vervatte oordeel van de rechtbank, dat het college niet heeft aangetoond dat appellant in de te beoordelen periode de inlichtingenverplichting heeft geschonden, in dit geding bindend is omdat het college tegen die uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld, treft deze beroepsgrond geen doel. Volgens vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van 24 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1370) brengt een in rechte onaantastbaar geworden besluit tot herziening en terugvordering van de uitkering niet met zich dat de daaraan ten grondslag gelegde feiten ook onherroepelijk vaststaan. In het kader van de oplegging van de boete kunnen die feiten en de gestelde overtreding van de inlichtingenverplichting in volle omvang worden beoordeeld. Gelet op het verschil in de mate van indringendheid en de omvang van de toetsing bij een bestuurlijke boete en een intrekking, heeft in het omgekeerde geval hetzelfde te gelden. Dat betekent dat ook als sprake is van een in rechte onaantastbaar geworden besluit over een bestuurlijke boete, in het kader van de intrekking en de terugvordering de daaraan ten grondslag gelegde feiten en de gestelde overtreding van de inlichtingenverplichting in volle omvang kunnen worden beoordeeld.

4.4.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat hij niet kan worden gehouden aan de verklaring die hij op 15 april 2014 ten overstaan van een handhavingsspecialist, werkzaam bij de DWI, heeft afgelegd. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512) mag in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en ondertekende verklaring worden uitgegaan en heeft een latere intrekking of ontkenning van die verklaring weinig betekenis. Geen aanleiding bestaat hiervan in dit geval af te wijken. Appellant heeft weliswaar betoogd dat hij kampt met een taalbarrière en angstproblematiek, maar hij heeft de stelling dat hem om die reden de afgelegde verklaringen niet kunnen worden toegerekend niet aannemelijk gemaakt. Blijkens het verslag van het gesprek dat in het rapport van 22 april 2014 is neergelegd, is de verklaring in concept opgenomen en na voorlezing door appellant ondertekend. Appellant heeft desgevraagd aan de handhavingsspecialist bevestigd het gesprokene goed te hebben begrepen. Uit het verslag valt niet op te maken dat appellant de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. De door appellant overgelegde medische stukken afkomstig van zijn huisarts van 28 maart 2013 en van I-Psy van 13 september 2013 en van

9 december 2014 bieden voorts geen aanknopingspunten voor de stelling dat appellant, gelet op zijn psychische klachten, niet in staat was om op 15 april 2014 een reële verklaring af te leggen over de omvang van de door hem verrichte werkzaamheden.

4.5.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft het college met de beschikbare gegevens aannemelijk gemaakt dat appellant meer werkzaamheden heeft verricht dan hij heeft opgegeven. Uit het verslag van de waarnemingen, dat is opgenomen in het rapport van 22 april 2014, blijkt dat twee andere handhavingsspecialisten van 7 tot en met 12 april 2014 dagelijks langs de kapperszaak zijn gelopen en appellant, die zij herkenden aan de hand van een kopie van zijn identiteitskaart, met uitzondering van 9 april 2014 op alle dagen in de zaak hebben gezien. Op die dagen hebben zij appellant acht keer in de zaak gezien, waarbij zij vijf keer hebben waargenomen dat appellant werkzaamheden verrichtte. Met uitzondering van de waarneming dat appellant de wenkbrauwen van een vrouw epileerde, komen de waargenomen werkzaamheden overeen met de werkzaamheden die appellant op 15 april 2014 heeft gezegd te verrichten, zoals het knippen van haren en kassawerkzaamheden. Deze waarnemingen komen niet overeen met de dagen en tijdstippen waarop appellant in zijn verklaring van

15 april 2014 stelt te hebben gewerkt. Die verklaring hield immers in dat appellant alleen op

1 en 14 april 2014 had gewerkt en dat hij tussen 1 en 14 april 2014 zelfs niet voor de gezelligheid in de zaak was geweest.

4.6.

Appellant heeft van de uren dat hij vanaf 7 april 2014 meer heeft gewerkt geen melding gemaakt aan het college en evenmin een administratie of boekhouding bijgehouden. Gelet hierop heeft het college zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat in zoverre sprake is van schending van de inlichtingenverplichting en dat als gevolg daarvan het recht op bijstand vanaf 7 april 2014 niet meer kan worden vastgesteld. Het college was daarom gehouden de bijstand over de periode vanaf 7 april 2014 in te trekken en terug te vorderen. Van dringende redenen om van terugvordering van de bijstand over deze periode af te zien is geen sprake. De aangevoerde psychische problematiek van appellant, zoals die blijkt uit de in 4.4 vermelde medische stukken, is onvoldoende om aan te nemen dat de terugvordering op zichzelf leidt tot onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor appellant.

4.7.

De beschikbare gegevens bieden echter geen steun voor het standpunt van het college dat appellant in de periode van 15 april 2013 tot 7 april 2014 evenzeer werkzaamheden heeft verzwegen. Het college heeft het standpunt dat dit het geval is enkel doen steunen op de verklaring van appellant dat hij ook in zijn vrije tijd voor de gezelligheid naar de zaak komt en dan wel eens even helpt en dat deze stand van zaken sedert een jaar ongewijzigd is. Nog daargelaten of uit deze verklaring kan worden afgeleid dat appellant in voormelde periode meer uren heeft gewerkt dan het aantal uren dat hij aan het college heeft opgegeven, vindt deze verklaring ook geen steun in andere onderzoeksbevindingen.

4.8.

Uit 4.7 volgt dat het bestreden besluit - anders dan de rechtbank heeft geoordeeld - geen stand kan houden voor zover dit de periode van 15 april 2013 tot en met 6 april 2014 betreft. De aangevallen uitspraak zal daarom worden vernietigd. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren voor zover dit de intrekking over de periode van 15 april 2013 tot en met 6 april 2014 betreft en het bestreden besluit in zoverre vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Omdat het besluit tot terugvordering als ondeelbaar moet worden beschouwd, zal het bestreden besluit tevens worden vernietigd voor zover het de terugvordering betreft. Besluit 1 zal worden herroepen, voor zover dit de intrekking over de periode van 15 april 2013 tot en met 6 april 2014 betreft.

4.9.

Vervolgens dient te worden bezien welk vervolg aan dit oordeel moet worden gegeven. De Raad beschikt over onvoldoende gegevens om een berekening te maken van het door het college terug te vorderen bedrag. Dit betekent dat het college dat zal moeten doen. Dat betreft louter een financiële uitwerking. Om die reden wordt afgezien van een bestuurlijke lus. Het college zal worden opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant tegen besluit 2.

5. Aanleiding bestaat om het dagelijks bestuur te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 496,- in bezwaar, € 992,- in beroep en op € 992,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.480,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 21 juli 2014 voor zover het de

intrekking over de periode van 15 april 2013 tot en met 6 april 2014 en de terugvordering

betreft;

- herroept het besluit van 30 april 2014 voor zover dit de intrekking van bijstand over de

periode van 15 april 2013 tot en met 6 april 2014 betreft en bepaalt dat deze uitspraak in

zoverre in de plaats treedt van het besluit van 21 juli 2014;

- draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaarschrift van appellant,

voor zover dat de terugvordering betreft;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.480,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 167,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.C.R. Schut en

C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2016.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) B. Fotchind

HD