Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1946

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-05-2016
Datum publicatie
31-05-2016
Zaaknummer
14/6361 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Onduidelijke woonsituatie. Recht niet vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

14/6361 WWB

Datum uitspraak: 24 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

10 oktober 2014, 14/3209 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.G.P. de Wit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 11 april 2016. Partijen zijn, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 26 augustus 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm van een alleenstaande.

1.2.

Van 10 juni 2013 tot en met 12 juli 2013 verbleef appellant in een inrichting vanwege zijn verslavingsproblematiek.

1.3.

In het kader van een project van de Haagse Pand Brigade heeft op 20 augustus 2013 een onaangekondigd huisbezoek aan het door appellant opgegeven woonadres aan de

[Adres A] in [woonplaats] plaatsgevonden. Daarbij is geconstateerd dat appellant sinds

1 juli 2013 niet meer woonachtig was op dit adres. Het college heeft vervolgens het recht op bijstand van appellant met ingang van 1 september 2013 opgeschort en de bijstand per die datum ingetrokken. Nadien is aan appellant met ingang van 1 september 2013 een daklozenuitkering toegekend.

1.4.

Bij besluit van 28 oktober 2013, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 maart 2014 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant herzien over de periode van

1 juni 2013 tot en met 31 augustus 2013 en de over die periode te veel ontvangen bijstand van appellant teruggevorderd tot een bedrag € 1.695,58. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet tijdig heeft gemeld dat hij in een inrichting verbleef en evenmin waar hij nadien verbleef.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college de motivering van het bestreden besluit heeft gewijzigd, in die zin dat appellant zijn verblijf in de inrichting wel heeft gemeld en dus de inlichtingenverplichting in dat opzicht niet heeft geschonden. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand gelaten. Zij heeft op dat onderdeel het college gevolgd in zijn standpunt dat appellant ten aanzien van zijn woon- en verblijfplaats na het ontslag uit de inrichting wel de inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand over de periode van 13 juli 2013 tot en met

31 augustus 2013 niet meer is vast te stellen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten. Hij heeft aangevoerd dat zijn recht op bijstand wel is vast te stellen omdat hij na zijn ontslag uit de inrichting een zwervend bestaan heeft geleid en hem per 1 september 2013 zonder nader onderzoek een daklozenuitkering is toegekend, terwijl de situatie voor 1 september 2013 niet anders was. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank verzuimd heeft het college te veroordelen in de kosten van de bezwaarprocedure. Daarnaast heeft appellant zich beroepen op de uitspraak van de rechtbank van 6 januari 2015 met betrekking tot de aan appellant opgelegde boete (boete-uitspraak), waarin de rechtbank heeft overwogen dat bij appellant sprake was van verminderde verwijtbaarheid.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Niet meer in geschil is dat appellant de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden ten aanzien van zijn verblijf in de inrichting. Evenmin is de (hoogte van de) terugvordering in geschil. Partijen houdt nog verdeeld of appellant in de periode van 13 juli 2013 tot en met

31 augustus 2013 (periode in geding) aannemelijk heeft gemaakt dat hij dakloos is geweest.

4.2.

Vaststaat dat appellant na zijn ontslag uit de inrichting op 12 juli 2013 niet meer woonde op het adres [Adres A] in [woonplaats] en dat hij eerst op 6 september 2013 het college daarvan op de hoogte heeft gesteld, waarbij hij ook heeft vermeld dat hij dakloos is. Hij heeft het college dus niet tijdig geïnformeerd over de verandering van zijn woon- en verblijfsituatie, zodat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Over de woon- en verblijfplaats van appellant in de periode van 13 juli tot 1 september 2013 zijn geen (objectieve) gegevens voorhanden. Hierdoor is het voor het college achteraf niet meer mogelijk om vast te stellen of appellant in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde. Dat de woon- en verblijfsituatie voor en na

1 september 2013 gelijk was, wordt wel door appellant gesteld, maar niet afdoende onderbouwd. De verklaring van de hulpverlener van de Stichting Just Care is daartoe onvoldoende, omdat daaruit niet meer valt af te leiden dan dat er sinds de opname in de inrichting geen huur meer door appellant werd betaald voor de woning aan de [Adres A] in [woonplaats] en dat de hulpverlener appellant destijds heeft geadviseerd zich bij het daklozenloket te melden.

4.3.

Anders dan appellant heeft aangevoerd, heeft de rechtbank niet verzuimd om het college te veroordelen in de kosten van de bezwaarprocedure. Terecht heeft de rechtbank die kosten niet voor vergoeding in aanmerking gebracht, nu geen sprake is van herroeping van het besluit van 28 oktober 2013 en dus niet is voldaan aan de in artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht gestelde voorwaarde.

4.4.

Ten slotte kan niet worden ingezien dat de door de rechtbank in de boete-uitspraak aangenomen verminderde verwijtbaarheid gevolgen heeft voor de hier aan de orde zijnde herziening van de bijstand. Te minder nu de rechtbank in de boete-uitspraak, onder verwijzing naar de aangevallen uitspraak, met betrekking tot de schending van de inlichtingenverplichting heeft overwogen dat in wat appellant heeft aangevoerd geen aanleiding wordt gezien voor het oordeel dat daarover in het kader van de boeteoplegging anders geoordeeld moet worden dan in de aangevallen uitspraak is gedaan.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal, voor zover aangevochten, worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en E.C.R. Schut en

C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 mei 2016.

(getekend) R.H.M. Roelofs

(getekend) B. Fotchind

HD