Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1938

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-05-2016
Datum publicatie
26-05-2016
Zaaknummer
13/5336 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Op goede gronden geweigerd terug te komen van eerder genomen besluit, omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0577

Uitspraak

13/5336 ZW

Datum uitspraak: 25 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

21 augustus 2013, 12/1039 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Th. Martens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 april 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Martens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als schoonmaker/chauffeur voor 13,5 uur per week. Hij heeft zich op 8 december 2005 ziek gemeld in verband met nekklachten. Hem is met ingang van

8 december 2005 ziekengeld ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van 12 mei 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van 11 mei 2006 geen recht meer had op ziekengeld, omdat hij niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt was voor het verrichten van zijn arbeid. Het tegen dat besluit ingediende bezwaar is bij besluit van

18 september 2006 ongegrond verklaard. Appellant heeft tegen dat besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

1.2.

Naar aanleiding van een aanvraag van appellant om in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv bij besluit van 15 april 2011 vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan. Appellant was destijds voor de wachttijd was beëindigd per 11 mei 2006 weer beter. Het tegen het besluit van 15 april 2011 ingediende bezwaar is bij besluit van 12 mei 2011 ongegrond verklaard.

1.3.

Appellant heeft tegen het besluit van 12 mei 2011 beroep ingesteld. Omdat het Uwv in het besluit van 12 mei 2011 heeft vermeld het bezwaar tevens op te vatten als een verzoek om terug te komen van het besluit van 12 mei 2006, heeft appellant het beroep tegen het besluit van 15 april 2011 ingetrokken.

1.4.

Bij besluit van 17 februari 2012 heeft het Uwv appellant medegedeeld dat niet wordt teruggekomen van het besluit van 12 mei 2006, omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden. Bij besluit van 15 juni 2012 (bestreden besluit) is het bezwaar gericht tegen het besluit van 17 februari 2012 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden waarvan niet ook reeds sprake was op 12 mei 2006 (lees 11 mei 2006). Mede op basis van de zich onder de gedingstukken bevindende brief van de huisarts van appellant van 7 september 2006 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep destijds geconcludeerd dat appellant op medische gronden met ingang van 11 mei 2006 geschikt was te achten voor zijn arbeid. De op grond van die conclusie genomen beslissing op bezwaar van 18 september 2006 is voor de rechtbank uitgangspunt bij de beantwoording van de vraag of er in het geval van appellant sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank heeft vastgesteld dat uit de brief van PsyQ van 30 november 2006 blijkt dat appellant sinds 8 april 2003 in verband met zijn psychotische klachten en stemmingsklachten bij dat instituut onder behandeling was. Op verzoek van appellant is zijn dossier bij PsyQ vernietigd, mede omdat appellant zijn behandelaar bij PsyQ wantrouwde. De rechtbank volgt appellant niet in zijn stelling dat zijn psychische klachten in 2006 nooit bij de beoordeling van zijn geschiktheid tot het verrichten van zijn werk zijn betrokken. Uit het op verzoek van het Uwv door de psychiater

dr. P.L. Remijnse gedane onderzoek en mede gelet op het feit dat er geen nadere medische stukken zijn overgelegd concludeert de rechtbank dat uit de beschikbare medische stukken niet is gebleken dat de psychische gesteldheid van appellant sinds het besluit 12 mei 2006 is gewijzigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv bevoegd was om op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek van appellant om terug te komen van het besluit van 12 mei 2006 af te wijzen. De wijze waarop het Uwv van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt kan de beperkte rechterlijke toets doorstaan.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep de gronden van het beroep grotendeels herhaald. Hij is van mening dat zijn psychische klachten ten onrechte nooit zijn betrokken bij de beoordeling van zijn geschiktheid voor zijn werk. Uit het door de psychiater Remijnse op

16 december 2011 uitgebrachte rapport blijkt dat er bij appellant al sinds jaren sprake is van een aanzienlijke psychopathologie, waarbij chronische paranoïde voorop staat. Voorts is appellant bekend met schizofrenie en psychoses. Volgens psychiater Remijnse wijst alles erop dat de geconstateerde psychiatrische toestand niet wezenlijk verschilt van die in 2006. Met dat rapport is ook onderbouwd dat appellant als gevolg van psychische klachten op 11 mei 2006 ongeschikt was voor zijn arbeid. Hij heeft als gevolg van die psychische klachten zijn werk ook maar drie maanden (met een arbeidsomvang van 13,5 uur per week) kunnen volhouden.

3.2.

Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de gronden in hoger beroep dezelfde zijn als die in bezwaar en beroep en heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De in de aangevallen uitspraak vermelde toets in dit geding wordt onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat, zoals bijvoorbeeld is overwogen in ECLI:NL:CRVB:2015:1, onder nieuw gebleken feiten en veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb ook worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of veranderde omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.2.

De gegeven diagnose (een ernstige depressieve stoornis met psychotische kenmerken en een paranoïde persoonlijkheidsstoornis) die op zich als een nieuw gegeven is te beschouwen, kan niet als een nieuw feit in de zin van artikel 4:6 van de Awb worden aangemerkt. Een groot deel van de medische stukken is op verzoek van appellant vernietigd. Met de stukken die nog wel voorhanden waren heeft de verzekeringsarts ten tijde van de eerste aanvraag rekening gehouden bij de beoordeling van de psychische klachten en de problemen waarmee betrokkene te kampen heeft. Ook de nieuwe gegevens zijn bestudeerd. Het Uwv heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de nadere diagnose geen aanleiding geeft om terug te komen van de in mei 2006 genomen beslissing. Het gaat immers om de beperkingen voor het verrichten van arbeid en niet om de diagnose zelf. De rechtbank heeft dat standpunt, met verwijzing naar de gegevens van de huisarts van 7 september 2006, waar uit een werkdiagnose blijkt van PTSS/depressieve klachten en mogelijk paranoïde, niet onjuist geacht. Er zijn onvoldoende aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen. De Raad is, met de rechtbank, van oordeel dat het Uwv geen aanleiding hoefde te zien om terug te komen van het besluit van 12 mei 2006.

5. De overwegingen in 4.1 en 4.2 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter, in tegenwoordigheid van

B. Dogan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2016.

(getekend) J.S. van der Kolk

(getekend) B. Dogan

NK