Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1919

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-05-2016
Datum publicatie
26-05-2016
Zaaknummer
14/2784 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgvuldig medisch onderzoek. De vraag of de artsen van het Uwv de belastbaarheid van appellante juist hebben vastgesteld, beantwoordt de Raad, anders dan appellante, bevestigend. Uit de veelheid aan medische informatie blijkt niet dat appellante op de datum in geding ongeschikt acht was voor het verrichten van haar arbeid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0570

Uitspraak

14/2784 ZW

Datum uitspraak: 18 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland- West-Brabant van 1 mei 2014, 13/5747 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E.M.H. Geubbels hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 12 november 2015 heeft mr. F.R. Heijstek, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Partijen hebben nadere (medische) stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 april 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Heijstek. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als administratief medewerkster voor 40 uur per week. Na het einde van haar dienstverband is aan haar per 1 februari 2013 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Wegens zwangerschaps- en bevallingsverlof is deze uitkering per 14 februari 2013 beëindigd en is aan appellante een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg (WAZO) toegekend. Appellante heeft zich na afloop van de

WAZO-uitkering per 6 juni 2013 ziek gemeld met toegenomen klachten van beide armen, schouders en onderrug.

1.2.

Appellante heeft op 10 juli 2013 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze arts heeft appellante per 15 juli 2013 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van administratief medewerkster. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van

10 juli 2013 vastgesteld dat appellante per 15 juli 2013 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 5 september 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 4 september 2013 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante zich – samengevat – op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het Uwv een voldoende zorgvuldig onderzoek heeft verricht. Het Uwv heeft ten onrechte nagelaten nader onderzoek in te stellen naar de fysieke en psychische belastbaarheid van appellante. De vastgestelde beperkingen zijn niet zorgvuldig getoetst aan de visie van de behandelend sector. Voorts heeft appellante gesteld dat de rechtbank ten onrechte in de door haar overgelegde medische informatie geen aanleiding heeft gezien te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de artsen van het Uwv en om die reden evenmin aanleiding voor het inwinnen van het advies van een deskundige. De behandelend medisch adviseur, psychiater en de huisarts van appellante zijn van oordeel dat door de combinatie van de psychische stoornis en de daaruit voortkomende ernstige somatische/lichamelijke (pijn)klachten appellante ook op de datum in geding ongeschikt is voor haar arbeid. Dit had door het Uwv nader onderzocht moeten worden. Appellante verzoekt de Raad een deskundige te raadplegen.

3.2.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 23 november 2015, in reactie op de in hoger beroep ingediende gronden en medische stukken, opgemerkt dat ten tijde van de onderzoeken door de artsen van het Uwv geen aanwijzingen aanwezig waren die wezen op een depressieve stoornis. Voorts heeft deze arts gesteld dat, nu het om psychische problematiek gaat, aan de visie van de behandelend psychiater G.T. Blok, zoals neergelegd in zijn brief van 17 september 2015, meerwaarde toekomt ten opzichte van de visie van artsen van overige specialisaties. Uit die brief blijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet dat de psychische stoornis met de tevens daaruit voortkomende fysieke klachten rond de datum in geding, ten tijde van de onderzoeken door de artsen van het Uwv ook al aanwezig was. Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat appellante ten tijde van de onderzoeken door de artsen van het Uwv niet onder behandeling was voor haar psychische klachten, dat geen sprake was van een diagnostisch onderzoek en dat appellante geen psychofarmaca gebruikte. Tot slot heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gesteld dat ook uit het huisartsenjournaal niet blijkt dat appellante zich rond de datum in geding met psychische klachten heeft gemeld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep sluit niet uit dat appellante op de datum in geding psychische klachten had, maar er waren geen functionele beperkingen aanwezig op grond van een psychische stoornis

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

De rechtbank is in haar uitspraak van een juiste maatstaf arbeid uitgegaan, te weten het werk als administratief medewerkster.

4.3.

De vraag die in dit geding centraal staat is of het Uwv terecht heeft aangenomen dat appellante op 15 juli 2013 in staat was haar arbeid als administratief medewerkster te verrichten. De rechtbank kan worden gevolgd in haar beoordeling dat het medisch onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Van belang wordt geacht dat de verzekeringsarts appellante op het spreekuur heeft gezien en naast een lichamelijk onderzoek tevens een oriënterend psychisch onderzoek heeft verricht. Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep dossierstudie verricht, appellante eveneens lichamelijk en psychisch onderzocht en verkregen informatie van de orthopedisch chirurg bij zijn beoordeling betrokken. In dit kader wordt tevens van belang geacht dat appellante ten tijde van deze onderzoeken niet onder behandeling was van een psycholoog of psychiater. Tot slot heeft deze arts in beroep inhoudelijk gereageerd op aangevoerde gronden en ingediende medische gegevens.

4.4.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de artsen van het Uwv de belastbaarheid van appellante juist hebben vastgesteld. Anders dan appellante beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend. Appellante heeft zich in eerste instantie ziek gemeld met lichamelijke klachten. Ten tijde van de beoordeling door de verzekeringsarts heeft zij in de anamnese wel melding gemaakt van een aantal negatieve life-events en vermeld dat zij daardoor niet zo lekker in haar vel heeft gezeten een paar jaar, maar er zijn door haar geen psychische klachten geuit. Tijdens zijn onderzoek heeft de verzekeringsarts geen tekenen van de aanwezigheid van psychopathologie waargenomen. In haar bezwaarschrift heeft appellante voor het eerst psychosociale klachten vermeld, maar ligt de nadruk op de lichamelijke klachten. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt vervolgens dat deze arts deze informatie in zijn beoordeling heeft meegenomen, maar in zijn onderzoek geen aanwijzingen voor psychopathologie of cognitieve problematiek heeft aangetroffen. Appellante was op dat moment ook niet onder behandeling voor haar klachten. Eerst in hoger beroep heeft appellante medische stukken ingediend waaruit zou moeten worden afgeleid dat haar psychische klachten en beperkingen op de datum in geding dusdanig waren dat zij ongeschikt was voor het verrichten van arbeid.

4.5.

Aan de door appellante in hoger beroep ingezonden medische informatie wordt echter niet die waarde toegekend die appellante daaraan gehecht zou willen zien. Met de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals verwoord in zijn rapport van 23 november 2015, wordt geoordeeld dat uit de veelheid aan medische informatie niet blijkt dat op de datum in geding sprake was van dusdanige psychopathologie of hierdoor veroorzaakte beperkingen dat appellante ongeschikt acht was voor het verrichten van haar arbeid. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt niet uitgesloten dat wegens de door appellante destijds ervaren psychosociale klachten er weliswaar beperkingen waren ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren, maar deze hebben niet geleid tot functionele beperkingen. Er wordt geen aanleiding gezien een deskundige te raadplegen.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter, in tegenwoordigheid van

M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2016.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) M.S.E.S. Umans

MO