Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1918

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-05-2016
Datum publicatie
26-05-2016
Zaaknummer
14/4323 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2014:5371, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loonsanctie. Zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen. Tweede spoor. Appellante heeft ten onrechte niet vastgesteld of van werkneemster in het kader van haar re-integratie in redelijkheid kon worden gevergd dat zij in een ander arbeidspatroon zou gaan werken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
SZR-Updates.nl 2016-0554
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/4323 WIA

Datum uitspraak: 18 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 4 juli 2014, 14/508 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Bosveld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2016. Voor appellante is mr. Bosveld verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1.

[Naam werkneemster] (werkneemster) was bij appellante werkzaam als pedagogisch medewerker voor twintig uur per week, toen zij op 18 juli 2011 wegens chronische rugklachten en klachten van het bewegingsapparaat voor haar werk uitviel. Werkneemster heeft op 9 april 2013 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.

1.2.

Bij besluit van 30 mei 2013 heeft het Uwv het tijdvak waarin appellante als werkgeefster het loon van werkneemster tijdens ziekte moet doorbetalen, verlengd met 52 weken tot 14 juli 2014. Die verlenging – ook wel loonsanctie genoemd – is opgelegd in aansluiting op de afloop van de wachttijd van 104 weken als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet WIA. Volgens het Uwv zijn de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende geweest en ontbreekt voor dat verzuim een deugdelijke grond. Het Uwv heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, in verbinding met artikel 65 van die wet.

1.3.

Appellante heeft tegen het besluit van 30 mei 2013 bezwaar gemaakt. Bij besluit van

10 december 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 november 2013 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 9 december 2013, het bezwaar ongegrond verklaard en de loonsanctie gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank was van oordeel dat de beschikbare medische gegevens voldoende steun bieden voor het standpunt van het Uwv dat appellante zonder deugdelijke grond onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De verzekeringsartsen van het Uwv hebben volgens de rechtbank afdoende gemotiveerd dat werkneemster in staat is om twintig uur per week te werken en hebben deugdelijk en kenbaar gemotiveerd op grond van welke overwegingen de bedrijfsarts van appellante niet kan worden gevolgd in zijn opvatting dat werkneemster maximaal tien uur per week kan werken. Volgens de rechtbank hebben de arbeidskundigen van het Uwv terecht geconcludeerd dat appellante, door uit te gaan van een urenbeperking van werkneemster van tien uur per week, het

re-integratietraject in het tweede spoor heeft bemoeilijkt en daarom daarin is tekort geschoten. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante zelf verantwoordelijk is voor mogelijke tekortkomingen in het advies van de bedrijfsarts en dat zij in dit geval daar niet op af had moeten gaan. Dat werkneemster met appellante een arbeidsovereenkomst had, waarbij was afgesproken dat zij alleen zou werken op maandag tot en met woensdag, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet, dat in het kader van de inspanningen om de werkneemster te re-integreren, van die afspraak moet worden uitgegaan.

3.1.

Appellante heeft zich niet met die uitspraak kunnen verenigen. Appellante heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat zij niet mocht afgaan op het advies van de bedrijfsarts. Zij meent dat deze terecht een urenbeperking van tien uur per week heeft vastgesteld, waarbij mogelijk er wel ten onrechte van is uitgegaan dat dat inclusief

woon-werkreistijd is. Ten onrechte heeft de rechtbank het Uwv gevolgd in diens opvatting dat als wel wordt uitgegaan van een urenbeperking van twintig uur per week, re-integratie kansen zijn gemist. De rechtbank heeft ten onrechte beslist dat appellante bij haar inspanningen om werkneemster te re-integreren, niet de arbeidsovereenkomst als uitgangspunt hoeft te nemen, waarbij is afgesproken tussen partijen dat werkneemster op drie dagen per week werkzaam is.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht, onder verwijzing naar een rapport van de arbeidskundige bezwaar en beroep van 22 oktober 2014, de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, voor zover hier van belang, luidt als volgt: “Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 64 en de beoordeling, bedoeld in artikel 65 blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond (…) onvoldoende

re-integratie-inspanningen heeft verricht, verlengt het Uwv het tijdvak gedurende welke de verzekerde jegens die werkgever recht heeft op loon op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (…), opdat de werkgever zijn tekortkoming ten aanzien van de bedoelde (….) re-integratie-inspanningen kan herstellen. Het tijdvak bedoeld in de eerste zin, is ten hoogste 52 weken.”

4.2.

Ingevolge artikel 65 van de Wet WIA, voor zover hier van belang, beoordeelt het Uwv of de werkgever en de verzekerde in redelijkheid hebben kunnen komen tot de

re-integratie-inspanningen, die zijn verricht.

4.3.

Artikel 7:658a, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek luidt sinds 29 december 2005 als volgt: “De werkgever bevordert ten aanzien van de werknemer die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, de inschakeling in de arbeid in zijn bedrijf. Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en in het bedrijf van de werkgever geen andere passende arbeid voorhanden is, bevordert de werkgever, gedurende het tijdvak waarin de werknemer jegens hem recht op loon heeft op grond van artikel 629, artikel 71a, negende lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, de inschakeling van de werknemer in voor hem passende arbeid in het bedrijf van een andere werkgever.”

4.4.

In de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij Besluit van 17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224) (Beleidsregels) heeft het Uwv een inhoudelijk kader neergelegd voor de beoordeling van de vraag of werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Blijkens de Beleidsregels staat bij de beoordeling het bereikte resultaat voorop. Als een bevredigend resultaat is bereikt, is voldaan aan de wettelijke eis dat werkgever en werknemer in redelijkheid konden komen tot de re-integratie-inspanningen die zijn verricht. Van een bevredigend resultaat is sprake als gekomen is tot een (gedeeltelijke) werkhervatting, die aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden van de werknemer. Indien het Uwv het resultaat niet bevredigend acht, zal volgens de Beleidsregels bij de beoordeling worden ingezoomd op datgene wat door de werkgever en werknemer daadwerkelijk ondernomen is.

5.1.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante bij haar inspanningen om werkneemster in het tweede spoor te re-integreren, ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat werkneemster maximaal tien uur per week, inclusief reistijd, zou kunnen werken. Dat dit het uitgangspunt was voor de re-integratie van werkneemster in het tweede spoor blijkt uit het eindrapport van Randstad van 28 januari 2013, die op verzoek van appellante de re-integratie mogelijkheden van werkneemster in het tweede spoor heeft onderzocht. De bedrijfsarts van appellante heeft in zijn mail van 7 mei 2013 aan de verzekeringsarts te kennen gegeven dat wekelijks werken gedurende vijf keer twee uur, twee keer vijf uur, maar ook drie keer vier uur mogelijk moet zijn. Daaruit volgt dat de bedrijfsarts werkneemster belastbaar acht voor meer dan tien uur per week en dat appellante ten onrechte als uitgangspunt heeft genomen, zoals door verweerder is gesteld en ook door appellante is erkend, dat reistijd en op re-integratie gerichte scholing ook binnen die uren zouden moeten vallen.

5.2.

De rechtbank heeft op juiste gronden geoordeeld dat de verzekeringsartsen deugdelijk hebben gemotiveerd dat werkneemster in staat was twintig uur per week te werken, verspreid over vijf dagen per week gedurende vier uur per dag, en dat de bedrijfsarts niet kan worden gevolgd in zijn opvatting dat een urenbeperking van maximaal tien uur per week voor werkneemster heeft te gelden nu deze zelf in de genoemde mail heeft verteld dat werkneemster zo’n vier tot viereneenhalf uur moet rusten. Nu ook in hoger beroep door appellante geen nadere gegevens zijn ingebracht ter onderbouwing van haar stelling dat appellante op medische gronden slechts in staat was tien uur per week, verspreid over drie dagen te werken, wordt volstaan met een verwijzing naar de overwegingen van de rechtbank.

5.3.

De rechtbank kan ook worden gevolgd in haar oordeel dat de arbeidskundigen terecht hebben geconcludeerd dat appellante re-integratiekansen heeft gemist door steeds uit te gaan van een urenbeperking van tien uur per week (inclusief reistijd) voor werkneemster. De verwijzing door het Uwv ter onderbouwing van zijn standpunt naar het eindrapport van Randstad waarin wordt geconcludeerd dat de beperkte beschikbaarheid van werkneemster haar re-integratie bemoeilijkt is, overtuigend.

5.4.

De rechtbank is eveneens terecht tot het oordeel gekomen dat de stelling van appellante, dat de binnen de arbeidsovereenkomst tussen appellante en werkneemster gemaakte afspraken over de werkdagen moet worden gerespecteerd, faalt. Op werkneemster rust de verplichting om actief mee te werken aan haar re-integratie, ook in passend werk bij een andere werkgever. Bij passende arbeid gaat het om arbeid die in redelijkheid aan de werknemer kan worden opgedragen, gelet op onder meer het arbeidsverleden, de opleiding, de gezondheidstoestand, de persoonlijke eigenschappen, de afstand tot het werk, het loon en dat waartoe de werknemer nog in staat is. Dit vloeit voort uit de Beleidsregels die het kader vormen voor de re-integratie-inspanningen en sluit aan bij de arbeidsrechtelijke verplichtingen van de werkneemster genoemd in artikel 7:658a BW en de daarop gevormde jurisprudentie. Dat ook het arbeidspatroon van de aangeboden functie daarbij in redelijkheid een rol speelt en dat dat in redelijke mate moet aansluiten bij dat van voor de ziekmelding, zoals is vermeld onder punt 8 van de Beleidsregels, betekent niet dat daarvan in het belang van de re-integratie niet kan worden afgeweken.

5.5.

Zoals ook ter zitting is bevestigd namens appellante, is appellante steeds uitgegaan van de beperkte beschikbaarheid van werkneemster en heeft appellante niet met werkneemster verkend of zij bezwaren heeft en zo ja welke, tegen ruimere beschikbaarstelling. Uit 5.4 volgt dat appellante ten onrechte niet heeft vastgesteld of van werkneemster in het kader van haar re-integratie in redelijkheid kon worden gevergd dat zij in een ander arbeidspatroon zou gaan werken.

6. Uit 5.1 tot en met 5.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

7. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.T. de Kwaasteniet als leden, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2016.

(getekend) M. Greebe

(getekend) N. van Rooijen

MO