Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1914

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-05-2016
Datum publicatie
26-05-2016
Zaaknummer
14/5766 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om bevordering ten onrechte afgewezen. Gelet op de gebleken inhoud van de werkzaamheden die district-overstijgend binnen de gehele regio en zelfs landelijk worden uitgevoerd, heeft de korpschef zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat die werkzaamheden alleen een rol of taakaccent inhouden en dat deze inhoudelijk hetzelfde zijn gebleven binnen de GGP en daarom niet voldoen aan de voorwaarden om te worden aangemerkt als een betekenisvolle stap, die bijdraagt aan de individuele ontwikkeling. Dit leidt de Raad tot de conclusie dat appellant heeft voldaan aan de mobiliteitseis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

14/5766 AW

Datum uitspraak: 19 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

29 augustus 2014, 13/6125 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de korpschef van politie (korpschef)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.M. van den Berg hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Berg. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.C.M. Steenberghe.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft in 2007 de opleiding tot allround politiemedewerker afgerond en is toen aangesteld bij de noodhulp in district Eemland-Zuid van de politieregio Utrecht. Met ingang van 15 juli 2008 is hij bevorderd naar de functie van Politieagent B, in de rang van Hoofdagent, schaal 7. In september 2010 is appellant daarnaast aangesteld als ruiter bij de bereden politie, afdeling Levende Have van de politieregio Utrecht, welke werkzaamheden hij voor 50% van zijn aanstellingsomvang verricht.

1.2.

Als uitwerking van het Akkoord Arbeidsvoorwaarden sector politie 2005-2007 hebben de minister van Veiligheid en Justitie en de politievakorganisaties op 9 september 2010 overeenstemming bereikt over de tweede tranche van de landelijk te harmoniseren arbeidsvoorwaarden politie (HAP II). Deze afspraken zijn neergelegd in de op 1 november 2010 in werking getreden circulaire Harmonisatie arbeidsvoorwaarden politie tweede tranche (Stcrt. 2010, 19782, Circulaire). Een onderdeel van de harmonisatieafspraken is het in

bijlage 6 van de circulaire opgenomen ‘Loopbaanbeleid van assistent A tot en met senior binnen de GGP’ (loopbaanbeleid). In die bijlage zijn de afspraken vastgelegd over de mogelijkheden tot doorstroming van ambtenaren binnen de Gebiedsgebonden Politie (GGP) naar een volgend niveau of volgende functie. Voor de doorstroom van generalist GGP (schaal 7) naar senior GGP (schaal 8) is onder meer als vereiste gesteld dat sprake is van “een eventueel door het korps te stellen geografische stap en/of werkterrein c.q. aandachtsgebied als aanvullende voorwaarde”, ook wel genoemd de mobiliteitseis; “Bij een geografische stap gaat de medewerker (tijdelijk) werkzaamheden verrichten in een ander geografisch gebied. In het geval van een werkterrein c.q. aandachtsgebied doet een medewerker in de organisatie andere relevante werkervaring op, bijvoorbeeld bij milieu, in de opsporing of in de arrestantenzorg. Deze stap is optioneel en kan per korps verschillen. Het bevoegd gezag bepaalt vooraf of deze voorwaarde van toepassing is.”

1.3.

In mei 2012 hebben de korpsen van de politieregio’s Utrecht, Gooi & Vechtstreek en Flevoland de mobiliteitseis nader ingevuld. De korpsleidingen sluiten voor de toepassing van de mobiliteitseis aan bij de letterlijke tekst van het landelijke loopbaanbeleid, hetgeen betekent dat een geografische stap en/of ervaring opgedaan in een ander werkterrein c.q. aandachtsgebied als voorwaarde wordt gesteld om bevorderd te worden naar een senior

GGP-functie, schaal 8. Hierbij geldt dat het

a. een betekenisvolle stap dient te zijn, die bijdraagt aan de individuele ontwikkeling van de medewerker,

b. van minimaal 12 maanden en

c. die vooraf is besproken en schriftelijk vastgelegd door de leidinggevende en de medewerker.

In de Kaders Mobiliteit van 11 juli 2012 is nader uitgelegd dat een geografische stap wordt gezet van district naar district of van een ander korps naar korps Utrecht. Bij een ander werkterrein en/of aandachtsgebied wordt gekeken naar de wezenlijke bijdrage van de ervaring ten aanzien van de ontwikkeling van de medewerker.

1.4.

Op 1 juni 2012 heeft appellant verzocht om te worden bevorderd naar de functie van Politieagent C, in de rang van brigadier, schaal 8, een senior GGP-functie. Op dat moment was hij voor 50% werkzaam als allround politiemedewerker in het district Eemland Zuid, Wijkteam Amersfoort Centrum, van de politieregio Utrecht en voor 50% als ruiter bij de bereden politie, afdeling Levende Have, van de politieregio Utrecht.

1.5.

Na een voornemen daartoe, heeft de korpschef dat verzoek afgewezen bij besluit van

29 januari 2013. Bij besluit van 22 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft de korpschef die afwijzing gehandhaafd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellant niet voldoet aan de mobiliteitseis bedoeld in de Circulaire. Appellant heeft geen geografische stap gezet en/of verandering van werkterrein of aandachtsgebied ondergaan. Het werkzaam zijn als reserveruiter bij de bereden politie wordt gezien als rol binnen het eigen domein GGP. Een rol telt gelet op de Kaders Mobiliteit niet mee als mobiliteitsstap, omdat de inhoud van de werkzaamheden die bij deze rol horen, niet worden aangemerkt als een verbreding en/of verdieping waarbij sprake is van een wezenlijke bijdrage aan de ontwikkeling van de medewerker.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat hij heeft voldaan aan de mobiliteitseis, omdat hij op een ander werkgebied of aandachtsgebied werkzaam is geweest. Appellant heeft daarbij verwezen naar een brief van 26 oktober 2012 van de minister van Veiligheid en Justitie aan de korpschefs van politie, met kenmerk 316858, waarin de functie van bereden politie als een werkterrein is benoemd dat onderscheiden wordt in de GGP reeks. Voorts blijkt uit het begunstigende beleid niet dat sprake dient te zijn van werkzaamheden binnen een ander domein dan GGP. De werkzaamheden die hij verricht en die afwijken van hoofdagent, maar wel behoren tot het domein van GGP, dienen te worden meegenomen. Met zijn werkzaamheden als ruiter bij de bereden politie die hij vanaf 2011 structureel voor 50% heeft verricht, heeft hij daaraan voldaan. In de functie van ruiter was hij werkzaam in de gehele regio en incidenteel ook landelijk.

4. De korpschef heeft toegelicht dat de werkzaamheden slechts incidenteel buiten het eigen geografische gebied van het district Eemland Zuid plaatsvinden en dat daarom geen sprake is van werkzaamheden in een ander geografisch gebied. Voorts is volgens de korpschef geen sprake van werkzaamheden op een ander werkterrein of aandachtsgebied die een wezenlijke bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de medewerker. De werkzaamheden zijn inhoudelijk hetzelfde zijn gebleven binnen de GGP, alleen het middel is anders, namelijk het paard. Geen sprake is van een verbreding of verdieping die een wezenlijke bijdrage levert aan de ontwikkeling van de medewerker. Het is een rol of taakaccent, binnen de brede functie van generalist GGP en niet een wezenlijk ander werkgebied of aandachtsgebied.

5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

In hoger beroep zijn partijen verdeeld over de vraag of appellant heeft voldaan aan de mobiliteitseis.

5.2.

Appellant verricht zijn werkzaamheden als ruiter bij de bereden politie voor 50% van zijn werktijd, dat wil zeggen dat hij voor 50% was ingeroosterd als hoofdagent in zijn district Eemland Zuid, en voor 50% was ingeroosterd als ruiter. Voor zover in de stukken is vermeld dat appellant reserveruiter was, heeft appellant ter zitting onweersproken gesteld dat hij geen reserveruiter was, maar ruiter, voor 50% van de werktijd. Een reserveruiter wordt incidenteel, indien benodigd ingezet, zo heeft appellant toegelicht, terwijl appellant structureel voor 50% als ruiter was ingeroosterd. Appellant heeft voorts gesolliciteerd op de vacature voorruiter. Dat betekent dat appellant de functie van ruiter in deeltijd verrichtte en geen sprake was van het vervullen van een rol als reserveruiter.

5.3.

De werkzaamheden van appellant als ruiter vinden plaats vanuit Houten, waar de stallen zich bevinden. Vanaf die locatie werd hij ingezet in alle districten binnen de regio en incidenteel ook landelijk, bijvoorbeeld bij grote manifestaties en voetbalwedstrijden en bij optreden in ME-verband. Het komt erop neer dat de werkzaamheden van appellant als ruiter in verschillende districten werden uitgevoerd.

5.4.

Een onderdeel van de werkzaamheden als ruiter bestaan uit inspectie van vee, onder meer in stallen, bij vervoer en op maneges. De ruiter treedt blijkens de zich onder de gedingstukken bevindende functiebeschrijving op als deskundige op het gebied van dieren bij ongevallen en bij ziek en slecht verzorgd vee. Hij beschikt daartoe over kennis van wet- en regelgeving op het gebied van onder meer milieu. Het verwerven van deze kennis maakt ook deel uit van de opleiding tot ruiter. Tevens verzorgt hij demonstraties in het kader van voorlichting en/of representatie. De ruiter beslist zelfstandig tot inzet van paard, vaak zonder de mogelijkheid tot overleg met de chef of op grond van speciale deskundigheid en hij adviseert leidinggevenden over de (on)mogelijkheid tot inzet van paard en ruiter. Appellant heeft aannemelijk gemaakt dat zijn werkzaamheden als ruiter gedeeltelijk op een ander aandachtsgebied en/of werkterrein worden verricht.

5.5.

Gelet op de hiervoor gebleken inhoud van de werkzaamheden die district-overstijgend binnen de gehele regio en zelfs landelijk worden uitgevoerd, heeft de korpschef zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat die werkzaamheden alleen een rol of taakaccent inhouden en dat deze inhoudelijk hetzelfde zijn gebleven binnen de GGP en daarom niet voldoen aan de voorwaarden om te worden aangemerkt als een betekenisvolle stap, die bijdraagt aan de individuele ontwikkeling. Dit leidt de Raad tot de conclusie dat appellant heeft voldaan aan de mobiliteitseis. Nu niet in geschil is dat appellant aan de overige vereisten van de mobiliteitseis heeft voldaan, komt het verzoek van appellant om hem met ingang van

1 juni 2012 te bevorderen naar de functie van Politieagent C, schaal 8, voor toewijzing in aanmerking.

5.6.

Gelet op het vorenoverwogene dient de aangevallen uitspraak te worden vernietigd. Het bestreden besluit zal worden vernietigd en het besluit van 29 januari 2013 zal worden herroepen. De Raad ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en appellant met ingang van 1 juni 2012 te bevorderen tot de senior GGP-functie van Politieagent C, schaal 8.

6. Aanleiding bestaat om de korpschef te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 992,- in beroep en op € 992,- in hoger beroep wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 22 oktober 2013;

- herroept het besluit van 29 januari 2013 en bevordert appellant met ingang van 1 juni 2012

tot de senior GGP-functie van Politieagent C, schaal 8;

- veroordeelt de korpschef in de kosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een

bedrag van € 1.984,-;

- bepaalt dat de korpschef aan appellant het in beroep en hoger betaalde griffierecht van in

totaal € 406,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en M.T. Boerlage en

H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Spek als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 mei 2016.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) M.S. Spek

HD