Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2016:1909

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-05-2016
Datum publicatie
31-05-2016
Zaaknummer
15/3813 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering. Op naam geregistreerd landbouwgrond. Vermogen boven grens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

15/3813 WWB

Datum uitspraak: 17 mei 2016

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 april 2015, 14/2325 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.B. Epozdemir, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2016. Namens appellant is verschenen mr. Epozdemir. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Loos.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds augustus 2007 een (onvolledig) ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). Appellant ontving tevens een toeslag omdat hij een gezamenlijke huishouding voerde met zijn echtgenote [naam echtgenote] (E) die jonger was dan

65 jaar. Met ingang van 20 oktober 2008 heeft de Svb appellant met toepassing van artikel 47a van de Wet werk en bijstand een aanvullende inkomensvoorziening ouderen toegekend naar de norm voor gehuwden. Met ingang van maart 2013 ontvang ook E een (onvolledig) ouderdomspensioen op grond van de AOW.

1.2.

Bij besluit van 6 februari 2013 heeft de Svb betaling van de AIO-aanvulling met ingang van 1 februari 2013 voorlopig stopgezet op de grond dat appellant de Svb telefonisch heeft laten weten over een eigen woning in Turkije te beschikken. Zolang niet duidelijk is over hoeveel vermogen appellant beschikt, kan geen AIO-aanvulling worden uitbetaald.

1.3.

Bij besluit van 27 mei 2013 heeft de Svb besloten met ingang van juni 2013 de betaling van de AIO-aanvulling te hervatten. Daarbij heeft de Svb voorts aan appellant en E meegedeeld dat aanvullend onderzoek zal worden gedaan naar hun vermogen in Turkije, wat mogelijk van invloed kan zijn op hun AIO-aanvulling.

1.4.

Op verzoek van de Svb heeft het Bureau Attaché Sociale Zaken van de Nederlandse Ambassade in Ankara onderzoek verricht naar de vermogenssituatie van appellant en E in Turkije. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat sinds 31 december 2008 een werkplaats op naam van appellant geregistreerd staat met een getaxeerde waarde van € 54.500,-. Sinds 1994 staat 5.000 m² landbouwgrond op naam van E geregistreerd, met een getaxeerde waarde van € 63.000,-. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van

19 november 2013.

1.5.

In de onderzoeksresultaten heeft de Svb aanleiding gezien om bij besluit van

18 december 2013 de AIO-aanvulling van appellant en E met ingang van december 2013 te beëindigen (lees: in te trekken) en bij twee afzonderlijke besluiten van 13 januari 2014, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 1 mei 2014 (bestreden besluit), de AIO-aanvulling met ingang van 20 oktober 2008 in te trekken en de over de periode van 20 oktober 2008 tot en met november 2013 ten onrechte ontvangen AIO-aanvulling tot een bedrag van € 13.695,88 van appellant en E terug te vorderen. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellant en E over vermogen boven de voor hen geldende grens van het vrij te laten vermogen beschikken.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat sprake is geweest van onvolledig onderzoek omdat niet uit officiële stukken valt te herleiden dat de werkplaats op naam van appellant staat en dat E redelijkerwijs niet kan beschikken over de op haar naam staande landbouwgrond.

4.2.

Appellant betwist niet dat sinds 1994 5.000 m² landbouwgrond op naam van E staat geregistreerd. Deze registratie rechtvaardigt de vooronderstelling dat de landbouwgrond een bestanddeel vormt van het vermogen van appellant en E waarover zij daadwerkelijk beschikken of redelijkerwijs kunnen beschikken. Met de niet met stukken onderbouwde stelling dat E niets over het stuk grond te zeggen heeft omdat het familie eigendom is, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat het tegendeel het geval is.

4.3.

Vaststaat dat appellant en E het bezit van de landbouwgrond niet aan de Svb hebben gemeld. Hierdoor hebben zij de op hen rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden. Het is dan aan appellant om aannemelijk te maken dat zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zouden hebben voldaan, over de periode in geding recht op een AIO-aanvulling zouden hebben gehad. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant erkend dat de landbouwgrond een waarde vertegenwoordigt die aanzienlijk hoger ligt dan de voor appellant en E geldende grens van het vrij te laten vermogen. Gelet op de op 19 november 2013 getaxeerde waarde van de landbouwgrond, is niet aannemelijk dat de waarde van de woning in de periode op en na 1 augustus 2008 die vermogensgrens niet overschreed.

4.4.

Uit 4.3 volgt reeds dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij en E in de periode in geding, die hier loopt van 20 oktober 2008 tot en met 18 december 2013, recht hadden op een AIO-aanvulling, zodat de Svb de AIO-aanvulling over die periode op goede gronden heeft ingetrokken en teruggevorderd. De beroepsgrond dat sprake is geweest van onvolledig onderzoek omdat niet uit officiële stukken valt te herleiden dat de werkplaats op naam van appellant staat, behoeft daarom geen bespreking meer.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van A. Stuut als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 mei 2016.

(getekend) E.C.R. Schut

(getekend) A. Stuut

HD